Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
BNB2017/170 [1] (Hofjeswoningen) is beslist dat voor het begrip “verhuur” in de Wet Verhuurderheffing (Wvh) moet worden aangesloten bij art. 7:201 BW Pro. Een huurwoning is volgens art. 2(a) Wet verhuurderheffing 2013 (Wvh; sinds 2014 art. 1.2 Wet maatregelen woningmarkt 2014 II) een “voor verhuur bestemde woning”. Dat het om “voor de verhuur bestemde woningen” ging, was in HR
BNB2017/170 niet in geschil. In casu gaat het om zonder huurbescherming tijdelijk verhuurde leegstandswetwoningen en tijdelijk antikraak-bewoonde woningen van [X] die voor de sloop bestemd zijn. In geschil is of zij desondanks ‘voor de verhuur bestemd’ zijn in de zin van de Wvh.
NJB2018/554; [2] conform art. 7:247 BW Pro), meen ik dat ook voor de term ‘voor verhuur bestemd’ aan te sluiten ware bij het huurrecht, meer bepaald bij art. 7:232(4) BW en art. 15(1) Leegstandwet, aangenomen dat zulks doelmatig is en past bij doel en strekking van de Wvh.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
: € 171,04
NTFR2017/2408 bij ‘s Hofs uitspraak op dat hij zich kan vinden in het oordeel dat van verhuur sprake is, maar dat hem niet duidelijk is op basis waarvan het Hof oordeelde dat de woningen ook voor verhuur
zijn bestemd:
NLF2017/2213) onderschrijft het oordeel dat het om verhuur gaat. Ter zake van het criterium ‘bestemd voor’ bespreekt hij welke gevolgen het oordeel van het Hof kan hebben in combinatie met de heffingsvermindering verhuurderheffing die sinds 2014 in art. 1.10 Wet maatregelen woningmarkt 2014 II is opgenomen (ik laat voetnoten weg):
Bestemd voor
3.Het geding in cassatie
Haviltex-maatstaf moeten toepassen en de bedoelingen van de partijen de doorslag moeten laten geven, i.e. gebruik met als doel het tegengaan van vandalisme en verloedering. Dat art. 7:201 BW Pro in art. 15(1) Leegstandwet niet buiten toepassing wordt verklaard, impliceert niet dat iedere vorm van gebruik op grond van die laatste wet op een huurovereenkomst duidt.
verweerdat het Hof terecht uit de met bewoners gesloten overeenkomsten heeft afgeleid dat de gebruiksvergoedingen niet symbolisch zijn en in rechtstreeks verband staan met hun gebruik van de woningen. Ook hij acht de gebruiksvergoedingen voor de bewoners niet van elke reële betekenis ontbloot, ook niet die van € 113,45 per maand voor de antikraakwoningen, nu het volgens hem vaak gaat om bewoners zonder de draagkracht om elders te kunnen huren, terwijl zij naast de gebruiksvergoeding ook alle gebruikslasten dragen, inclusief dagelijks onderhoud en het gebruikersdeel van de OZB [14] . Van een buitenkansje kan daarom zijns inziens niet worden gesproken. Anders zou het de gemeente ook minder moeite kosten kraakwachten te vinden. Het Hof heeft de eigenaarslasten volgens de Staatssecretaris terecht niet relevant geacht voor de vraag of de gebruiksvergoeding al dan niet symbolisch is.
repliekpersisteert de belanghebbende.
4.De wet
BNB2017/170 [15] (Hofjeswoningenarrest) worden aangesloten bij het begrip “huur” in art. 7:201 BW Pro. Art. 7:201 BW Pro luidt als volgt:
Stb.2013, 583, en is de Wvh vervallen. [17] .
BNB2017/170. [18]
5.Verhuur
BNB2017/170 [19] overwoog u over de term ‘huurwoningen’ in art. 2(a) Wvh:
NJ2012/73 blijkt dat niet beslissend is of het reglement elementen bevat op grond waarvan op zichzelf aan de wettelijke omschrijving van huur kan zijn voldaan, maar of in de gegeven omstandigheden, gelet op hetgeen partijen ten tijde van het ondertekenen van het reglement voor ogen stond, de inhoud en strekking van hun rechtsverhouding van dien aard zijn dat zij als huurovereenkomst kan worden aangemerkt. Het Hof lijkt daaraan voorbijgegaan te zijn.”
WR2016/80 en
WR2017/56). De bedoeling van partijen, zoals die uit de bewoordingen van de overeenkomst blijkt, speelt bij de kwalificatievraag bruikleen-huur geregeld een belangrijker rol dan de definitie van huur in art. 7:201 BW Pro. A-G Wattel gaf steun aan deze ontwikkeling door op 20 september 2016 (ECLI:NL:PHR:2016:970) onder verwijzing naar het Timeshare-arrest (
WR2011/58) te concluderen dat bij de vraag of het om huur gaat, kort gezegd, beoordeeld moet worden of het de bedoeling van partijen was dat de bewoner een reële vergoeding zou betalen die uitsluitend verband houdt met het gebruik van de woning. Het hof had deze toets niet toegepast en was daarom volgens de A-G ten onrechte tot de conclusie gekomen dat het gebruik van een hofjeswoning tegen betaling van € 57 per maand een huurovereenkomst oplevert. De Hoge Raad volgt de A-G echter niet (HR 23 juni 2017,
WR2017/117) en oordeelt dat het hof terecht een huurovereenkomst heeft aangenomen nu vaststaat dat de maandelijkse betalingsverplichting
BNB2017/170 dat de verhuurkwalificatie slechts voortvloeide uit de (feitelijke) uitleg van de afspraken in de specifieke casus en dat als de hofjesstichting de bijdrage van de bewoonsters expliciet als kostenvergoeding voor beheer en onderhoud van het hofje had gevraagd, mogelijk toch sprake was geweest van bruikleen en niet van verhuur:
FED2017/117:
V-N2017/32.18 gaat ervan uit dat u ervan uitging dat de door de bewoonsters betaalde zeer geringe bedragen niet strekten tot dekking van de gemeentelijke lasten, het hofjesbeheer of het groenonderhoud, maar tot tegenprestatie voor woongenot:
NJ1991/678). Ten slotte dient de tegenprestatie verband te houden met het woongenot dat de bewoner geacht kan worden aan de in gebruik gegeven woning te ontlenen (zie overweging 13).
6.‘Voor verhuur bestemd’ c.q. ‘voor afbraak bestemd’
niet-leegstaande woningen ook een andere bestemming dan ‘voor verhuur’ kunnen hebben. Met name is tijdens de parlementaire behandeling niets gezegd over antikraak- en leegstandwetsituaties zoals in casu aan de orde.
NJB2018/554 [35] het begrip “huurprijs” conform art. 7:247 BW Pro. Ter zake van de bestemming van woningen kan aangesloten worden bij art. 7:232(4) BW en art. 15(1) Leegstandwet. In beide bepalingen is de bestemming van woningen beslissend. Art. 7:232(4) BW is weliswaar in 2016 vervallen, bij welke gelegenheid art. 15(1) Leegstandwet is uitgebreid, [36] maar dat doet er niet aan af dat voor de toepassing van beide bepalingen de bestemming van woningen bepalend is. Art. 7:232(4) BW beperkte de huurbescherming ingrijpend voor woonruimte in voor afbraak bestemde gebouwen van gemeenten. Hetzelfde doet art. 15(1) Leegstandwet, maar met een ruimer toepassingsgebied: ongeacht wie eigenaar is en onder omstandigheden ook als de woning niet voor afbraak, maar voor vernieuwbouw of verkoop is bestemd. [37] Anders dan voor een beroep op art. 7:232(4) BW, is voor toepassing van art. 15(1) Leegstandwet wel een vergunning van het desbetreffende college van B&W vereist.
NJ2006, 21 (
Van Haaren/Het Oosten) vatte uw eerste kamer de bedoeling van art. 15 Leegstandwet Pro als volgt samen: [46]