Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
Het Hof heeft overwogen dat het in overeenstemming met doel en strekking van artikel 3.107a Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) is - dan wel dat een redelijke wetstoepassing meebrengt - dat artikel 3.107a Wet IB 2001 toepassing vindt en dat van de ontvangen lijfrente-uitkering ten bedrage van € 3.207 het bedrag van € 2.269 buiten aanmerking blijft:
Kasteleinop deze en de hiermee samenhangende uitspraak van gerechtshof Den Haag [4] is dat de wetgeving omtrent lijfrenten ongerechtvaardigde ‘overkill’ bevat: [5]
3.Het geding in cassatie
4.Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen
lijfrentepremie-aftrek te realiseren en dit recht vervolgens door een handeling in strijd met de voorwaarden over te hevelen naar box III zonder dat de gerealiseerde premie-aftrek ten volle wordt teruggenomen. De wijziging van artikel 3.137 strekt ertoe deze mogelijkheid van oneigenlijk gebruik in te dammen en de waarde in het economische verkeer van een aanspraak op nog niet ingegane lijfrentes tenminste te stellen op de premies die voor de aanspraak of dat gedeelte als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aftrek zijn gebracht. (…) Door de waarde in het economische verkeer tenminste te stellen op de premies die als uitgaven voor inkomensvoorzieningen tot aftrek hebben geleid, wordt bereikt dat bij een handeling in strijd met de voorwaarden in beginsel tenminste de fiscale faciliëring wordt teruggenomen. Deze «minimumregel» geldt uitsluitend voor aanspraken waarvan nog geen uitkeringen zijn vervallen. Indien dat wel het geval is, zou de minimumregel tot te hoge in aanmerking te nemen negatieve uitgaven kunnen leiden.
BNB2012/150 geoordeeld dat, indien de polisvoorwaarden geen bepalingen bevatten in lijn met artikel 1.7 Wet IB 2001, een verzekering niet voldoet aan de voorwaarden die de wet stelt aan een lijfrenteverzekering: [22]
5.Revisierente
Wettekst
6.Artikel 6 EVRM Pro en artikel 7 EVRM Pro
Wettekst
(hierna: het EHRM) in het arrest
Engel e.a.
tegen Nederlandvan 8 juni 1976 drie criteria neergelegd. Deze drie criteria zijn i) de classificatie van de overtreding naar nationaal recht; ii) de aard van de overtreding; en iii) de aard en de zwaarte van de strafbedreiging. [43]
Öztürk tegen Duitslandvan 21 februari 1984 heeft het EHRM deze drie criteria herhaald: [44]
Janosevic tegen Zwedenvan 23 juli 2002 bevestigd dat een belastingboete als ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 EVRM Pro is aan te merken: [45]
Jussila tegen Finlandheeft het EHRM overwogen dat voor belastingrechtelijke boetes geen lichter ‘criminal charge’ regime geldt: [46]
Widdershovenover de zaak
Öztürk tegen Duitslandeen uitgebreid overzicht geschetst in welke gevallen het EHRM concludeert dat sprake is van een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 EVRM Pro: [47]
BNB1998/326 is overwogen dat de uit artikel 29, lid 2, AWR voortvloeiende omkering en verzwaring van de bewijslast niet primair een afschrikwekkend of bestraffende karakter heeft: [50]
BNB2015/44 geoordeeld dat een naheffingsaanslag op grond van artikel 69 Wet Pro Motorrijtuigenbelasting geen ‘criminal charge’ is in de zin van artikel 6 EVRM Pro: [52]
7.Artikel 1 EP Pro EVRM
8.Beoordeling en behandeling van de klachten
Eerste klacht
Brouwer, zowel een liquiditeits- als een progressievoordeel. [96] Van schade voor de overheid die dient te worden gecompenseerd is zijn inziens dan ook geen sprake.
Engel e.a. tegen Nederlandheeft het EHRM een drietal criteria neergelegd om vast te stellen of sprake is van een ‘criminal charge’. [102] Het EHRM kijkt naar i) de classificatie van de overtreding naar nationaal recht; ii) de aard van de overtreding; en iii) de ernst en zwaarte van de strafbedreiging. [103]