ECLI:NL:HR:2018:167

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 februari 2018
Publicatiedatum
8 februari 2018
Zaaknummer
17/02950
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30i AWRArt. 3.133 Wet IB 2001Art. 1 Eerste Protocol EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid revisierente bij afkoop lijfrente zonder strijd met gelijkheidsbeginsel

Belanghebbende bracht in de jaren 2001 tot en met 2010 premies voor lijfrenteverzekeringen in aftrek en kocht in 2012 deze lijfrenten af. De Inspecteur nam de ontvangen afkoopsommen in aanmerking als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen volgens artikel 3.133 Wet IB 2001. Belanghebbende stelde dat de revisierente die in rekening werd gebracht, in strijd was met het gelijkheidsbeginsel en dat deze een individuele buitensporige last vormde in de zin van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.

Het Gerechtshof Den Haag verwierp deze bezwaren en bevestigde dat belanghebbende niet gelijk behandeld hoeft te worden als belastingplichtigen die na 2015 aanspraken op lijfrenten afkopen volgens de nieuwe wettelijke regeling. Ook oordeelde het hof dat de niet-heffing van premies volksverzekeringen bij pensioengerechtigde leeftijd niet meebrengt dat deze premies buiten beschouwing moeten blijven bij revisierente.

De Hoge Raad volgde het oordeel van het hof en de conclusie van de Advocaat-Generaal, die het beroep in cassatie ongegrond verklaarde. Er werd geen sprake geacht van een ongeoorloofde inbreuk op het eigendomsrecht en geen strijd met het gelijkheidsbeginsel. De Hoge Raad wees ook af dat proceskosten aan belanghebbende werden opgelegd.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof bekrachtigd.

Uitspraak

9 februari 2018
nr. 17/02950
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 26 april 2017, nr. BK‑16/00485, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 15/9263) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2012 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake revisierente en belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 22 december 2017 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:1462).

2.Beoordeling van de klachten

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
In de jaren 2001 tot en met 2010 heeft belanghebbende telkens premies voor lijfrenteverzekeringen in aftrek gebracht. In het jaar 2012 heeft belanghebbende deze lijfrenten afgekocht.
2.1.2.
Bij de in dit geding bestreden aanslag heeft de Inspecteur de door belanghebbende ontvangen afkoopsommen in aanmerking genomen als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen als bedoeld in artikel 3.133, lid 1 en lid 2, aanhef en letter d, Wet IB 2001.
2.2.
Voor zover voor de beoordeling in cassatie van belang was bij het Hof in geschil
- of het gelijkheidsbeginsel meebrengt dat belanghebbende op dezelfde wijze moet worden behandeld als belastingplichtigen die aanspraken op lijfrenten afkopen met toepassing van artikel 3.133, lid 9, Wet IB 2001 (tekst vanaf 2015),
- of de omstandigheid dat de premie volksverzekeringen niet wordt geheven van degene die na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een lijfrente geniet, meebrengt dat die premie ook bij het belasten van de afkoopsommen buiten beschouwing moet worden gelaten, en
- of het in rekening brengen van revisierente belanghebbende confronteert met een individuele en buitensporige last en daarom een ongeoorloofde inbreuk vormt op zijn door artikel 1 Eerste Pro Protocol bij het EVRM beschermde eigendomsrecht.
2.3.
Het Hof heeft deze vragen ontkennend beantwoord. 2.4. De bezwaren die belanghebbende in cassatie tegen de desbetreffende beslissingen van het Hof aanvoert, falen op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal, samengevat in de onderdelen 6.10 tot en met 6.16 van die conclusie.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2018.