Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
HR BNB 2011/25 [3] – aan belang ontbreekt.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
HR BNB 2015/174en
HR BNB 2016/177heeft geoordeeld dat het forfaitaire stelsel van de vermogensrendementsheffing voor de jaren 2010 en 2011 niet in strijd is met artikel 1 EP Pro.
HR BNB 2015/174en
HR BNB 2016/177volgt dat het voor een bevestigende beantwoording van de vraag of een rendement van 4% voor een lange reeks van jaren niet meer haalbaar is niet voldoende is dat komt vast te staan dat het rendement op bepaalde bezittingen structureel beneden de 4% blijft.
3.Het geding in cassatie
één middelin cassatie voorgesteld.
HR BNB 2011/51 [8] de Hoge Raad heeft geoordeeld dat niet juist is dat, ter compensatie van de inbreuk op artikel 1 EP Pro, de in die zaak aan de orde zijnde heffing (van rioolrecht) zou moeten worden ingeperkt. Het Hof hoefde aldus evenmin de box 3-heffing in te perken of terug te geven.
één cassatiemiddelvoorgesteld, inhoudende schending van artikel 5.2 (1) Wet IB 2001 en/of artikel 8:77 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 1 EP Pro, nu het Hof heeft geoordeeld dat de vermogensrendementsheffing voor het jaar 2014 op regelniveau in strijd is met artikel 1 EP Pro.
cassatiemiddelvoert de Staatssecretaris aan dat het Hof ten onrechte voor de vraag of het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is, heeft overwogen dat gekeken dient te worden naar (1) uitsluitend beleggingen met weinig risico, zoals spaarrekeningen, staatsleningen en staatsobligaties (de risicoarme beleggingen) en (2) het reële rendement dat is gerealiseerd op de risicoarme beleggingen in de periode van 2001 tot 2014.
HR BNB 2018/19 [9] waarin werd geoordeeld dat het voor het aannemen van een inbreuk op artikel 1 EP Pro niet voldoende is dat het rendement op bepaalde bezittingen structureel beneden de 4% blijft. In dat geval ging het om een onder de huurbescherming vallende verhuurde woning.
HR BNB 2007/133 [11] .
HR BNB 2005/310 [12] gesteld dat een procespartij procesbelang heeft indien een standpunt kan leiden tot gegrondverklaring van het middel.
4.Beoordeling van de middelen
an sichin strijd is met een verdragsregel. Dit leid ik af uit
HR BNB 2018/137 [13] . In dat geval was de forfaitaire vermogensrendementsheffing niet
an sich(op regelniveau) in strijd met artikel 1 EP Pro, maar was de regeling in strijd met artikel 1 EP Pro op individueel niveau. Volgens de Hoge Raad dient de rechter in geval van schending van artikel 1 EP Pro op individueel niveau te waarborgen dat rechtsherstel geboden wordt. In dit geval is dat geen probleem omdat zoals de Hoge Raad opmerkt het niet gaat ‘om het kiezen van een vorm van rechtsherstel waarvoor een aan de wetgever voorbehouden keuze tussen alternatieven is vereist (…), maar louter om de omvang van het rechtsherstel waarmee de door het Hof ten aanzien van belanghebbende vastgestelde individuele en buitensporige last kan worden afgewend’. De Hoge Raad overweegt:
HR BNB 2011/25 [14] .