ECLI:NL:HR:2010:BO4349

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03229
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6:27 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroepen Staatssecretaris niet-ontvankelijk wegens ontbreken belang

In deze zaak is aan belanghebbende voor het jaar 2002 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke na bezwaar door de Inspecteur werd gehandhaafd. De Rechtbank Arnhem heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslag verminderd. De Inspecteur stelde hoger beroep in bij het Hof, dat de uitspraak van de Rechtbank bevestigde. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris stelden vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad beoordeelde onder meer het middel van belanghebbende dat betrekking had op proceskostenvergoeding wegens het niet-pleitbare standpunt van de Inspecteur over de kwalificatie van uitgaven voor een Masterclass Tandheelkunde. Dit middel werd verworpen zonder nadere motivering, aangezien het niet tot beantwoording van rechtsvragen noopt.

Verder oordeelde de Hoge Raad dat het principale en incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris niet-ontvankelijk zijn wegens ontbreken van belang, omdat deze beroepen niet leiden tot een hogere aanslag dan door de Rechtbank vastgesteld.

Ten slotte veroordeelde de Hoge Raad de Staatssecretaris in de kosten van het geding in cassatie, waarbij rekening werd gehouden met samenhang met een andere zaak. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het principale en incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van belang; het beroep van belanghebbende is ongegrond verklaard.

Uitspraak

Nr. 09/03229
19 november 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 7 juli 2009, nr. 08/00075, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 06/6439) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank incidenteel hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend. De Staatssecretaris heeft tevens - op gelijke gronden als waarop hij principaal beroep in cassatie heeft ingesteld - incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft het incidentele beroep beantwoord.
De Staatssecretaris heeft in zijn principale beroep een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft in dat principale beroep een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van het door belanghebbende voorgestelde middel
Het Hof heeft verworpen belanghebbendes stelling dat er plaats is voor een integrale proceskostenvergoeding wegens de omstandigheid dat de Inspecteur tot en met de fase van hoger beroep willens en wetens heeft volhard in een niet pleitbaar standpunt, te weten het standpunt dat de uitgaven voor het volgen van de Masterclass Tandheelkunde niet als bedrijfskosten doch als scholingsuitgaven in de zin van artikel 6.27 van de Wet IB 2001 moeten worden aangemerkt. Het middel is tegen het desbetreffende oordeel van het Hof gericht.
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van de door de Staatssecretaris ingestelde beroepen in cassatie
Het principale noch het incidentele beroep strekt ertoe dat de aanslag wordt vastgesteld op een ander (hoger) bedrag dan het bedrag waartoe de Rechtbank de aanslag heeft verminderd. Aangezien de Staatssecretaris bij deze beroepen mitsdien geen belang heeft, moeten zij niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. Proceskosten
Wat betreft het cassatieberoep van belanghebbende acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Wat betreft het principale en het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën zal deze worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 09/03230 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart zowel het principale als het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris niet-ontvankelijk,
verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende voor wat betreft het principale beroep in cassatie en het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris, vastgesteld op de helft van € 1932, derhalve € 966, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P. Lourens als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2010.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 448.