Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
2.Feiten
De verschuldigde ib/pvv van € 8.942 bestaat uit:
Dit is medegedeeld bij kennisgeving van de staatssecretaris van 6 juni 2016, nr. BLKB2016/425, Stcrt. 2016, 31329.”
De persoonlijke en individuele omstandigheden van de belastingplichtige spelen daarbij geen rol.”
fair balanceop grond van een individuele en excessieve last.”
Nietin geschil is of de vermogensrendementsheffing op het individuele niveau (van belanghebbende) leidt tot een buitensporige last (‘individual excessive burden’).”
Dit geldt voor de langere termijn – het gemiddelde feitelijke rendement over de jaren hoeft niet gelijk te zijn aan het gemiddelde forfaitaire rendement – en meer nog voor de korte termijn. Bij een feitelijk rendement van 1,2 procent is het effectieve marginale tarief 100 procent en bij een feitelijk rendement van zes procent is het effectieve marginale tarief slechts twintig procent.
(…)
Het percentage van vier procent is, anders dan het tarief, een min of meer objectief bedoeld percentage. Bij invoering van de Wet IB 2001 was dit een inschatting van een risicovrij reëel rendement dat men geacht werd gemiddeld over een langere periode eenvoudig te kunnen behalen. Het percentage beoogde aan de lage kant te zijn omdat – zonder tegenbewijsregeling – een incidentele onderschrijding van het gemiddelde rendement zwaarder weegt dan een incidentele overschrijding.
(…)
Nominaal rendement, inflatie en reëel rendement.
Belastingplichtigen ervaren een nominaal rendement op hun vermogen, bijvoorbeeld een spaarrente van twee procent of een koersstijging van tien procent. Uitgaan van het nominaal rendement voor het bepalen van inkomen heeft als belangrijke beperking dat geen rekening wordt gehouden met inflatie. Door inflatie neemt de waarde van het vermogen af. Bij een nominaal rendement (rente) van twee procent en een inflatie van eveneens twee procent levert een vermogen geen inkomsten op.
(…)
De SER constateerde voor de invoering van box 3 dat door de keuze van een matig forfaitair rendement er rekening wordt gehouden met de inflatie. De behandeling van het wetsvoorstel voor invoering van de Wet IB 2001 bevestigt dat bij introductie is uitgegaan van het reële risicovrije rendement. Toenmalig minister Zalm in een overleg met de Tweede Kamer: ‘De vier procent beoogt te zijn het reële rendement dat je op langere termijn met beleggen risicovrij moet kunnen halen. Dan kom je inderdaad uit bij de staatsobligatie als benchmark, als benaderingswijze van het rendement. Wij spreken dan wel over reëel rendement en niet over nominaal rendement.’
(…)
Feitelijk rendement sinds invoering box 3
Tabel 4.2.1 toont het feitelijke gemiddelde nominale en reële rendement op verschillende typen vermogen in box 3 in de jaren 2001 tot en met 2012. Als startjaar is 2001 gekozen omdat in dat jaar box 3 is ingevoerd. Er is bij deze opstelling bij gebrek aan geschikte bronnen geen rekening gehouden met kosten, zoals bewaarloon en transactiekosten (enkele tienden tot een half procent per transactie) bij aandelen en obligaties, beheerkosten bij beleggingsfondsen (een half procent tot enkele procenten per jaar) en kosten van vermogensbeheer. Aan het sparen op een spaarrekening of deposito zijn in de regel (vrijwel) geen kosten verbonden.
Hof:niet opgenomen] illustreert de schommelingen en toont de nominale vermogensontwikkeling naar type vermogen. Gemeten vanaf het dieptepunt in 2002 of vanaf het dieptepunt in 2008 was er op aandelen wel een positief rendement.
(…)
Naast de doelmatigheidsredenen heeft het heffingvrije vermogen in box 3 als effect dat het forfaitaire rendement voor kleinere vermogens het meest wordt gematigd. (…) Het matigende effect is heel groot voor spaarders met een vermogen tot vlak boven het heffingvrije vermogen. Daarboven neemt het vrij snel af.
(…)
Hof:niet opgenomen] laat het rendement zien voor een aantal gefingeerde voorbeeldspaarders en een macro-inschatting. De kleine spaarder heeft weinig rendement gemaakt, maar door het heffingvrije vermogen is het forfaitaire rendement ook laag. (…)
De spaarder met ongeveer 100.000 euro vermogen zag zijn reële vermogen na belasting met gemiddeld 0,9 procent per jaar afnemen (cumulatief -5,8 procent sinds invoering van box 3).
(…)
Bij introductie van box 3 was de veronderstelling dat een risicovrij reëel rendement van vier procent relatief eenvoudig te halen zou zijn.
(…)
Sinds 2000 zijn de rendementen lager geworden. Het gemiddelde reële rendement op spaarrekeningen blijft wel licht positief. Als iemand in 1980 een bedrag op een spaarrekening bij de bank heeft gezet, is dat ‘vermogen’ in 2012 reëel meer waard geworden.
(…)
4.3 Voorstel om forfaitair rendement te koppelen aan gemiddelde voortschrijdende nominale spaarrente
De commissie constateert dat het feitelijke rendement sinds invoering van box 3 in aanzienlijke mate is achtergebleven bij het forfaitaire rendement. Dit was bij invoering van box 3 niet te voorzien.”; zie ook Kamerstukken II 2012/13, 33 447, nr. 2 (herdruk).
3.3. Geschil in hoger beroep
4.4. Beoordeling van het geschil
Hof:heffing van inkomstenbelasting over een forfaitair rendement op box 3-inkomen] zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 van Pro het EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last.” (het arrest BNB 2015/174, r.o. 2.3.2 en het arrest BNB 2016/177, r.o. 2.4.1.3).
ESB1996, nr. 4052, blz. 298).
e. Een overzicht van de Duitse centrale bank van het rendement van op basis van de Harmonised Index of Consumer Prices (HICP) geïndexeerde tienjarige staatsobligaties begin 2014 en van gewone (reguliere) (naar het Hof begrijpt: niet-HICP-geïndexeerde) staatsobligaties (nader stuk van 24 november 2017, bijlage 6). Belanghebbende heeft dit overzicht als volgt nader toegelicht:
De effectieve rendementen van de geïndexeerde en de reguliere obligaties aflopend op resp. 15 april 2023 resp. 15 mei 2023 (…) waren op 2 januari 2014 blijkens de kolom “yields” 0,36% respectievelijk 1,92%. Daaruit is af te leiden dat de door de markt verwachte inflatie voor de toen komende negen jaar en acht maanden gemiddeld 1,56% (= 1,92 minus 0,36%) per jaar was.”
4.2.5. Nu het door de wetgever veronderstelde rendement – langdurig – niet haalbaar is gebleken gaat van het systeem van heffing over inkomen uit sparen en beleggen een dwang uit om in minder risicovrije vermogensbestanddelen te beleggen en dat is volgens belanghebbende in strijd met het neutraliteitsbeginsel.
(…)
Spaargeld(…) In de loop der tijd is de spaarrente gedaald. Zo is de rente op direct opvraagbare tegoeden, dat wil zeggen een tegoed dat niet langer dan 3 maanden ‘vaststaat’, gedaald van meer dan 6% begin tachtiger jaren, naar 1,3% in 2014 en 1% in 2015 (raming 2015). Spaartegoeden die langer dan 3 maanden niet opvraagbaar zijn, kennen een hogere rente, maar maken een beperkt deel uit van het totale spaargeld. Voor de bepaling van het rendement op spaargeld wordt aangesloten bij de rentestand op deposito’s met een
opzegtermijn van minder dan drie maanden (…). De verwachting is dat het vijfjarig gemiddelde van deze rente over 2011 tot en met 2015 1,63% zal bedragen.
(…)
Beleggingen(…)
AandelenVoor aandelen bestaat het rendement niet alleen uit dividend, maar ook uit waardemutaties van de aandelen zelf. (…) In onderstaande grafiek [
Hof:niet weergegeven] staat de ontwikkeling van [de] MSCI-beleggingsindex die gebruikt wordt om het langjarig rendement op aandelen vast te stellen.
(…)
Als een langetermijnrendement wordt berekend met als startjaar een willekeurig jaar in de periode 1984-1994 en als eindjaar een willekeurig jaar in de periode 2008-2014 dan levert dat 77 verschillende resultaten op van een gemiddeld langtermijnrendement. Door de keuzes van deze range voor het beginjaar en het eindjaar worden de resultaten niet beïnvloed door de pieken en dalen in de periode 1994-2008. De resultaten variëren van een rendement tussen 6% en 10%, met als gemiddelde, afgerond op ¼%, een langetermijnrendement van 8¼%.
(…)
Onroerende zakenEvenals voor aandelen is niet bekend in welk type onroerende zaken het gemiddelde box 3-vermogen is belegd. (…) Op lange termijn laten de huizenprijzen een gestage stijging zien. In onderstaande grafiek [
Hof:niet weergegeven; de grafiek heeft betrekking op de periode 1974-2014] is, naast de feitelijke ontwikkeling, een huizenprijs gesimuleerd bij een jaarlijkse stijging van 4¼% per jaar.
(…)
ObligatiesVoor obligaties is als indicator voor het rendement de rente op de jongste 10-jarige staat[s]obligatie gehanteerd. Dit rendement is gestaag gedaald. (…) In 2014 bedroeg dit rendement 1,45% (bron: DNB). Voor het langetermijngemiddelde wordt voor het rendement aangenomen dat het terugkeert naar het gemiddelde niveau in de periode 2002-2008 van rond de 4% (…).” (Bijlage A bij Kamerstukken 2015/16, 34 302, nr. 3, (Belastingplan 2016), p. 4-7).
(Rechtbank Gelderland, 28 maart 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:1661 en 1662).
Daarbij dient de factor inflatie buiten beschouwing te blijven, omdat de wetgever in het algemeen ervoor heeft gekozen om op een nominalistische grondslag belasting te heffen; vanuit dat perspectief dient bij de beoordeling van het feitelijke rendement ten opzichte van het forfaitaire rendement geen rekening te worden gehouden met een inflatiecomponent (Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, p. 279-280). Voorts verwijst de inspecteur naar een betoog van de Minister van Financiën tijdens een algemeen overleg over het Belastingplan 2001, naar het Hof begrijpt het overleg waaruit is geciteerd in r.o. 15 van de uitspraak van de rechtbank. Volgens de inspecteur lag de Nederlandse reële rente destijds over een langere periode net onder of boven 4%. Door het forfaitaire rendement op 4% vast te stellen waren zijns inziens inflatoire invloeden daarin verdisconteerd.
Schending van het neutraliteitsbeginsel is volgens hem niet aan de orde.
Partijen verschillen evenwel van mening over de vraag of voor het jaar 2014 aannemelijk is te achten dat het bij invoering van de Wet door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is.
het Hof leest: het] forfaitaire rendement elk kalenderjaar opnieuw zou moeten worden vastgesteld, maar voor een benadering waarbij wordt uitgegaan van een gemiddeld haalbaar rendement dat in verband daarmee ook voor een langere periode vast zou moeten staan. Voordeel daarvan is niet alleen dat daarmee aan belastingplichtigen vooraf een grote mate van zekerheid kan worden geboden omtrent het te betalen belastingbedrag, maar ook en vooral dat door het hanteren van een langjarig vaststaand percentage een zeer stabiele
(…)
verwijzing naar een verslag van een algemeen overleg van de vaste commissie voor Financiën van de Tweede Kamer van 15 december 1999; hierin is het volgende vermeld:
Wij spreken dan wel over reëel rendement en niet over nominaal rendement. In 1995 is er
Ik zal niet de precieze samenstelling van de studiegroep geven, maar er zaten wel allerlei goede mensen in. De studiegroep heeft de regering geadviseerd, 4% te nemen. Dat is in 1995 overgenomen door het vorige kabinet. Ik kan wel een paar cijfers geven. Als je de Duitse reële rente over de afgelopen 25 jaar neemt, zit je precies op 4%. Voor Nederland hangt het een beetje van de periode af. Je komt tot iets boven of iets onder de 4%, afhankelijk van de
Als je heel ver teruggaat in de geschiedenis, toen het verschijnsel inflatie nog niet bestond – als systematisch verschijnsel bestaat het pas vrij recent – kom je ook rentevoeten tegen die rond 4% circuleren. 5 is dan een hoog percentage en 3 is dan een laag percentage.
Het beweegt zich altijd rond 4%. Ik denk dat dit percentage een aardige tijd mee kan gaan,
Het Hof heeft geen reden te veronderstellen dat de Minister destijds met de begrippen reëel rendement en nominaal rendement iets anders heeft bedoeld dan de Commissie Van Dijkhuizen (als vermeld onder 2.4). Dit betekent dat de wetgever de hoogte van het forfaitair rendement bij invoering van de Wet heeft gebaseerd op de (reële) rente die (uitsluitend) draagkrachtvermeerderend is. Daaraan staat niet in de weg dat in de reële rente – zo begrijpt het Hof – een verwachting omtrent toekomstige inflatie tot uiting komt. In dat verband heeft de Minister naar indexleningen verwezen. Uit de hiervoor aangehaalde passage is – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld (uitspraak rechtbank r.o. 15) – evenwel niet af te leiden “dat bij het bepalen van het reële rendement de nominale rente verminderd met de inflatie expliciet niet tot uitgangspunt is gekozen”. Deze lezing berust op een onjuist begrip van het begrip ‘reële rente’ zoals de wetgever het destijds heeft bedoeld.
in aanzienlijke mateafwijkt van het bij de invoering van de vermogensrendementsheffing voorziene (reële) rendement van 4%, en moet op basis daarvan worden geconcludeerd dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particulieren in 2014 – en beoordeeld over een lange tijdsperiode, teneinde incidentele fluctuaties te elimineren – niet meer haalbaar is. Een en ander behoudens tegenbewijs door de inspecteur.