Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
überhauptniet mogelijk of te gevaarlijk is, of inschrijving op een woonadres wel mogelijk is, maar niet op
hetzelfdeadres.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten en het geschil
BNB2008/243 (zie onderdeel 2.13 van de bijlage), waarin u oordeelde dat de wetgever binnen zijn ruime beoordelingsmarge is gebleven toen hij voor de alleenstaande-ouderkorting als voorwaarde stelde dat het kind meer dan zes maanden op hetzelfde adres staat ingeschreven in het GBA als de alleenstaande ouder.
3.Het geding in cassatie
verweerherhaalt de belanghebbende dat zijns inziens de wetgever met de inschrijvingseis wilde voorkomen dat de alleenstaande-ouderkorting aan meer dan één ouder zou worden toegekend. Een strafrechtelijke maatregel verhinderde belanghebbendes zoon om zich op belanghebbendes woonadres in te schrijven en de belanghebbende kon zich evenmin op het adres van de jeugdinrichting inschrijven. De alternatieve briefadres-eis is, naar analogie van de inschrijvingseis in de wet, in het Besluit opgenomen om te voorkomen dat meer dan één ouder de alleenstaande-ouderkorting krijgt. Die situatie kan zich in belanghebbendes geval niet voordoen, nu de moeder is overleden. De belanghebbende acht ‘s Hofs uitspraak juist.
verweerin het
incidentele beroepbetoogt de Staatssecretaris dat de inschrijvingseis niet is beperkt tot de situatie van co-ouders. De wetgever wenste een eenvoudig te controleren criterium, net zoals in de andere bepalingen in de Wet IB waarin hij dezelfde eis stelde, zoals de art. 1.2, 3.97, 3.114 en 8.14a Wet IB 2001. Het Hof heeft volgens de Staatssecretaris, mede gelet op HR
BNB2008/243 (zie onderdeel 2.13 van de bijlage), terecht geoordeeld dat de wetgever ook in gevallen waarin er geen twee ouders zijn, met de inschrijvingseis binnen zijn ruime beoordelingsbevoegdheid is gebleven en dat het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel er niet door wordt geschonden. Hij wijst ook op uw arrest van 24 november 2017 (zie onderdeel 2.15 van de bijlage), waarin u het cassatieberoep afdeed met toepassing van art. 81 Wet Pro RO.
repliekin het
incidentele beroepbetoogt de belanghebbende dat een ruime beoordelingsbevoegdheid niet betekent dat de wetgever een door hem gemaakt onderscheid niet hoeft te legitimeren, noch dat alle consequenties per definitie de toets aan het discriminatieverbod doorstaan. De belanghebbende acht moeilijk verenigbaar ’s Hofs oordelen (i) dat de inschrijvingseis in casu niet de door de wetgever beoogde rol kan vervullen en (ii) dat de wetgever desondanks binnen zijn ruime beoordelingsmarge zou zijn gebleven.
4.Behandeling van de beroepen
Het principale cassatieberoep (Staatssecretaris)
BNB2008/243 (zie onderdeel 2.13 van de bijlage) is mijns inziens voor belanghebbendes geval niet relevant omdat het in die zaak om de voorkoming van dubbele korting ging, hetgeen in casu niet aan de orde is. U zie nader de uiteenzetting in de onderdelen 5.3 en 5.4 van de bijlage.
wide margin of appreciationgetreden zou zijn als hij belanghebbendes geval voorzien zou hebben. Het probleem is dat hij dat geval niet voorzien heeft, zodat men moeilijk van enige
appreciation at allkan spreken. Ik ga er niettemin van uit dat het EHRM het niet tot zijn taak rekent
to second guesswat de Nederlandse fiscale wetgever gedaan zou hebben als hij wél aan belanghebbendes geval had gedacht, maar slechts zou toetsen of hij binnen zijn
margingebleven zou zijn,
veronderstellendedat hij belanghebbendes geval (bewust) had uitgesloten. Ik meen dat het EHRM in dat geval niet ingegrepen zou hebben, maar het recht aan de nationale autoriteiten zou hebben overgelaten.