Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Onderzoek ter zitting
Beslissing
verklaarthet hoger beroep ongegrond, en
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gronden
cassatie is gericht.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende voerde in hoger beroep aan dat de feitelijke woonsituatie van zijn dochter leidend moet zijn voor het recht op alleenstaande-ouderkorting, en dat het weigeren van deze korting een schending van het discriminatieverbod inhoudt. Het geschil betrof de aanslag inkomstenbelasting 2012 waarbij de dochter van belanghebbende niet in het GBA op zijn adres was ingeschreven.
Het hof oordeelde dat de wettelijke voorwaarde van inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) doorslaggevend is, en dat de feitelijke woonsituatie niet tot een ander oordeel kan leiden. Dit volgt uit artikel 8.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de parlementaire geschiedenis waarin is gekozen voor een helder en objectief criterium om dubbele tegemoetkoming bij co-ouderschap te voorkomen.
Verder verwierp het hof het beroep op het discriminatieverbod zoals bedoeld in artikel 26 IVBPR Pro en artikel 14 EVRM Pro, mede vanwege het constitutionele toetsingsverbod in artikel 120 van Pro de Grondwet en de jurisprudentie van de Hoge Raad. Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt dat belanghebbende geen recht heeft op alleenstaande-ouderkorting zonder inschrijving van het kind in het GBA.