Conclusie
eerste middelklaagt, als ik het goed begrijp, over het bewijs van het medeplegen van het onder 2, 4 en 5 bewezenverklaarde.
tweede middelklaagt over het bewijs van feit 4, meer bepaald over de aanwending van een valse sleutel. Dat gebruik is gemaakt van een valse sleutel blijkt niet uit de gebezigde bewijsmiddelen. Voor zover het hof gemeend heeft dit onderdeel te kunnen bewezenverklaren op grond van de verklaring van aangeefster [betrokkene 2] heeft het hof ten onrechte miskend dat het hier gaat om een ontoelaatbare gissing of gevolgtrekking die geen eigen waarneming of ondervinding als bron heeft.
derde middelklaagt over de veroordeling voor feit 5 maar dan omdat niet kan blijken uit de gebezigde bewijsmiddelen dat een medewerker van de ABN AMRO Bank is bewogen tot afgifte van een betaalpas en pincode. Een pincode is immers geen goed in de zin van artikel 326 Sr Pro dat kan worden afgegeven. Bovendien doet het hof een beroep op feiten en omstandigheden die niet uit de gebezigde bewijsmiddelen blijken en waarvan het hof ook onvoldoende nauwkeurig de oorsprong heeft aangeduid.
vierde middelklaagt over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. In de eerste plaats blijkt niet dat degene die zegt namens ABN AMRO te zijn verschenen door de bank was gemachtigd om namens ABN AMRO op te treden.
vijfde middelklaagt over schending van de redelijke termijn in cassatie. Op 30 januari 2017 is het cassatieberoep ingesteld en het dossier is eerst op 16 november 2017 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Aldus is de inzendtermijn van acht maanden met ruim twee maanden overschreden.