De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van witwassen, diefstal met valse sleutels en oplichting. Een belangrijk geschilpunt betrof de ontvankelijkheid van de benadeelde partij ABN AMRO Bank in haar vordering tot schadevergoeding. De verdediging stelde dat de gemachtigde van de bank niet bevoegd was op te treden, maar het hof oordeelde dat de bank zich rechtsgeldig had gevoegd.
Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat de combinatie van een taakstraf met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van elf maanden in strijd was met de wettelijke bepalingen, omdat het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf niet meer dan zes maanden mag bedragen. Ondanks deze strijdigheid zag de Hoge Raad geen aanleiding tot ambtshalve vernietiging van de strafoplegging, omdat de verdachte hiertegen in cassatie niet had geklaagd.
Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden door late aanlevering van stukken door het hof, hetgeen leidde tot vermindering van de gevangenisstraf van twintig maanden naar negentien maanden en twee weken, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.