Conclusie
expatbij Shell heeft, na zijn repatriëring, een “papieren” arbeidsovereenkomst in Nederland verkregen met het doel hem een nieuwe functie te laten vinden binnen het Shell-concern, overeenkomstig een binnen dat concern geldende regeling voor
expats. Nadat verscheidene sollicitatiepogingen waren mislukt en de werknemer een hem aangeboden functie in Nederland had geweigerd, heeft de werkgeefster ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht. In cassatie gaat het vooral om de vraag of de rechter toepassing mocht geven aan de ontslaggrond in art. 7:669, lid 3 onder h, BW. Daarnaast is de vraag aan de orde of het gerechtshof heeft mogen oordelen dat herplaatsing elders binnen het Shell-concern niet mogelijk was of niet in de rede lag, als bedoeld in art. 7:669 lid 1 BW Pro.
1.Feiten en procesverloop
expatriate(kortweg:
expat) werkzaam geweest voor verschillende vennootschappen in het Shell-concern.
expatsis geregeld in de binnen het Shell-concern geldende ‘
Long Term International Assignment Policies’ (hierna: LTIA-regeling) [2] . Volgens die regeling treedt een
expatbij uitzending in dienst van een Shell-vennootschap in de ‘
Host Country’. Vóór het einde van de uitzendtermijn kan de
expatdeelnemen aan het systeem ‘
Managed Open Resourcing’ (hierna:
MOR). Dat systeem voorziet in vier collectieve interne sollicitatierondes per jaar. Deze worden gefaciliteerd op een geavanceerd technisch
on line-platform wereldwijd. Op dat platform worden alle interne vacatures binnen het Shell-concern kenbaar gemaakt. Mocht herplaatsing onverhoopt niet lukken binnen drie maanden na het einde van de uitzending, dan krijgt de
expatin zijn ‘
Base Country’ een arbeidsovereenkomst aangeboden voor een lokaal gebruikelijke termijn.
expatsmet Nederland als ‘
Base Country’ die er niet in slagen een nieuwe functie te vinden, gold in de periode van 1 januari 2012 tot 30 juni 2016 de
Overtolligheidsregeling 2012-2016(hierna: LOR 2012). Op grond van de LOR 2012 krijgt een werknemer bij terugkeer naar zijn ‘
Base Country’ drie maanden de tijd om een andere functie te vinden, voordat hij wordt aangemerkt als ‘overtollig’. Bij overtolligheid kan een werknemer kiezen tussen een periode van begeleid zoeken of een vergoeding voor versneld vertrek. Indien hij heeft gekozen voor begeleid zoeken, maar het niet lukt een nieuwe functie te vinden, voorziet de LOR 2012 in beëindiging van de arbeidsovereenkomst en een beëindigingsvergoeding. Indien een overtollig verklaarde werknemer een passende functie niet heeft willen aanvaarden, leidt dat ertoe dat die werknemer niet langer wordt aangemerkt als overtollig en niet langer in aanmerking komt voor de voorzieningen onder de LOR 2012.
MOR-procedure, voor Shell Gabon gewerkt als ‘
Head of Marine Services’.
Maritime Global Skillpool Manager’ van Shell, [betrokkene 1] , via het
MOR-systeem op zoek gegaan naar een passende nieuwe functie. De focus lag daarbij op functies in de ‘
Skillpool Maritime’, in welke
poolde vakinhoudelijke expertise van de werknemer is ingedeeld.
Base Country’ Nederland.
auditin Gabon kunnen afronden.
Maritime Assurance Assessor(hierna:
MAA) te Rotterdam. Op 22 oktober 2015 heeft de werknemer per e-mail aan de werkgeefster laten weten dat hij deze functie niet aanvaardde.
MAAte Rotterdam aangeboden. Bij e-mail van 13 november 2015 heeft de werknemer wederom deze functie afgewezen.
MAAtoch te accepteren, zij het onder protest en onder voorwaarden. De vacature was toen echter al vervuld.
MOR-rondes zonder succes gesolliciteerd op vijftien interne functies.
expat. De toetsing van de redelijke grond voor ontbinding en van de herplaatsing vallen zo samen (rov. 6).
expatwereldwijd werkzaam geweest. Het ligt daarom in de rede dat het onderzoek van de werkgeefster zich richt op mogelijkheden tot herplaatsing binnen het Shell-concern wereldwijd. Het ligt niet in de rede – in de zin van art. 7:669 lid 1 BW Pro – dat de werknemer de door hem verlangde voorrang geniet boven externe kandidaten. Evenmin ligt in de rede dat tijdelijke aanstellingen niet mogen worden verlengd teneinde de werknemer te kunnen herplaatsen (rov. 8).
MOR-systeem in de regel voldoende om de mogelijkheden voor herplaatsing te onderzoeken. De werknemer heeft dit niet voldoende gemotiveerd betwist. Het hof achtte in dit verband ook van belang dat de werknemer vanaf februari 2015 tot juli 2016 via het
MOR-systeem vijftien sollicitaties heeft verricht. Daarbij komt dat de werkgeefster de werknemer heeft gewezen op (andere) passende functies bij concernvennootschappen, waarop hij zou kunnen solliciteren (rov. 11).
MOR-systeem zichtbare vacatures voldoende
up to datezijn om daarop zinvol te kunnen solliciteren (rov. 12).
Maritime Global Skillpool Managervan Shell, [betrokkene 1] , diverse acties heeft ondernomen ten behoeve van herplaatsing van deze werknemer. De werknemer heeft niet betwist dat [betrokkene 1] vacatures heeft bijgehouden, contacten heeft gelegd met bedrijven om de werknemer te herplaatsen en te promoten en dat dit ertoe heeft geleid dat sommige vacatures langer openstonden om hem een kans te geven (rov. 14).
Marine’. Evenmin heeft de werknemer weersproken dat hij in Azië en het Midden-Oosten, in welke gebieden hij zijn sollicitaties concentreerde, moest concurreren met plaatselijke arbeidskrachten (zgn. ‘
locals’) die veel goedkoper zijn dan
expats. Bij deze stand van zaken, nu de werknemer reeds vijftien sollicitaties heeft verricht, is volgens het hof niet aannemelijk dat ten tijde van de uitspraak een beter uitzicht op herplaatsing bestaat dan op het moment van indiening van het ontbindingsverzoek (rov. 15).
MAAte Rotterdam, die aan de werknemer werd aangeboden, is aan te merken als een passende functie in de zin van art. 3.3 LOR 2012 (rov. 18 - 25). De werknemer heeft deze passende functie niet binnen de gestelde tijd aanvaard (rov. 26). Ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid beschouwd, is niet onaanvaardbaar dat hem de schadeloosstelling op grond van de LOR 2012 is ontzegd (rov. 27 - 28). Er is steeds duidelijk met de werknemer erover gecommuniceerd dat het niet aanvaarden van de functie van
MAAzou leiden tot het vervallen van zijn aanspraken op grond van de LOR 2012 (rov. 28.1). De werkgeefster heeft bovendien voldoende rekening gehouden met de aarzelingen van de werknemer vanwege zijn voorkeur voor een functie in Azië of Afrika in verband met de persoonlijke omstandigheid dat zijn gezin op de Fillippijnen woont, namelijk: door hem (niet éénmaal, maar) twee maal in de gelegenheid te stellen de functie van
MAAte aanvaarden (rov. 28.2). Om deze redenen verwierp het hof ook de grieven 3 en 5 (rov. 30).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1heeft betrekking op de ontslaggrond als bedoeld in art. 7:669, lid 3 onder h, BW. De
onderdelen 2, 3 en 4gaan over de mogelijkheden tot herplaatsing van de werknemer binnen het Shell-concern [5] .
expatzonder herplaatsingsmogelijkheden is wel eens onder het bereik van de h-grond gebracht [20] .
in redelijkheidkan worden geoordeeld dat inderdaad sprake is van de door de werkgever aangevoerde grond voor ontslag. Zo’n oordeel is naar zijn aard verweven met waarderingen van feitelijke aard, die in cassatie slechts op hun motivering kunnen worden getoetst [25] . Toegespitst op de h-grond betekent dit dat het veelal is overgelaten aan de rechter die de feiten beoordeelt, om te toetsen of omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag liggen in voldoende mate verschillen van de onder a tot en met g genoemde omstandigheden en, met name, of de h-grond niet wordt gebruikt/misbruikt om een andere, onvoldragen ontslaggrond te repareren.
MAAin Rotterdam [28] . Volgens de werkgeefster is de arbeidsovereenkomst daarmee een “lege huls” geworden [29] . In haar inleidend verzoekschrift, par. 7.1, heeft de werkgeefster uiteengezet dat de a-grond van art. 7:669 lid 3 BW Pro in dit geval niet van toepassing is, omdat bij deze werkgeefster geen arbeidsplaatsen zijn vervallen waardoor de werknemer wordt geraakt. Dat standpunt is niet tegengesproken in de procedure bij de kantonrechter en bij het gerechtshof. Het onderdeel vermeldt ook geen vindplaats van stellingen die ertoe strekten dat de in art. 7:669, lid 3
onder a,BW genoemde omstandigheden zich hier voordoen. De enkele stelling van de werknemer dat “het UWV bevoegd is over de zaak te oordelen in plaats van de kantonrechter” [30] kan niet als zodanig dienen.
Marine’ en dat de werknemer in Azië en het Midden-Oosten moest concurreren met lokale werknemers die voor een werkgever veel goedkoper zijn. Dat is immers niet de grond waarop het ontbindingsverzoek, respectievelijk de toewijzing daarvan, berustte. Er lijkt hoogstens sprake te zijn van een indirecte samenhang tussen deze bedrijfseconomische omstandigheden en het ontslag: doordat het aantal vacatures binnen het aandachtsgebied van de werknemer beperkt was en de concurrentie groot, is hij er niet in geslaagd een hem aansprekende vervangende functie te vinden. Als indirect gevolg
daarvanis de arbeidsovereenkomst ontbonden. Dat het verlies van zijn werkkring, zo opgevat, mede een bedrijfseconomische achtergrond heeft, maakt nog niet dat het verzoek van de werkgeefster tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst berust op het vervallen van arbeidsplaatsen in de zin van art. 7:669, lid 3 onder a, BW; vgl. alinea 2.8 hiervoor.
expat(rov. 6). De werknemer betoogt dat de tijdelijkheid van uitzending als
expatvoor rekening en risico van de werkgeefster komt [34] . Voor zover hierin al een afzonderlijke klacht is te lezen, gaat deze niet op. Het hof heeft – als zodanig onbestreden in cassatie – vastgesteld dat uitzending van een
expatbinnen het Shell-concern “per definitie steeds tijdelijk” is en dat van de
expatdan ook mobiliteit wordt verwacht (rov. 1.3.1). Verder heeft het hof vastgesteld – eveneens onbestreden – dat de onderhavige arbeidsovereenkomst een “papieren” dienstverband betreft, dat geen ander doel heeft dan de werknemer een betrekking te geven waarin hij hetzij een nieuwe functie zou vinden hetzij overtollig raakt (rov. 1.8). Tegen die achtergrond heeft het hof in rov. 6 geoordeeld dat – kort samengevat – een h-grond zich voordoet wanneer de werknemer niet meer binnen een redelijke termijn herplaatsbaar is binnen het Shell-concern. Kennelijk is het hof van oordeel dat deze arbeidsovereenkomst – waaraan mobiele en tijdelijke inzetbaarheid eigen is – bij gebreke van herplaatsingsmogelijkheden een ‘lege huls’ is geworden, in de zin van de in alinea 2.7 hiervoor besproken rechtspraak en vakliteratuur. Dat oordeel berust m.i. niet op een onjuiste rechtsopvatting. De redengeving behoefde geen nadere uitwerking om voor de lezer begrijpelijk te zijn. Ik breng in herinnering dat het al dan niet aanwezig zijn van een bepaalde ontslaggrond, verweven als zij is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst [35] .
expat-functie en dat die herplaatsbaarheid is komen te ontbreken, nu verscheidene interne sollicitatiepogingen zijn mislukt en de werknemer een hem aangeboden passende functie in Nederland heeft geweigerd. Zo beschouwd, is de ontslaggrond meer gelegen in de persoon van de werknemer dan in bedrijfseconomische omstandigheden binnen het Shell-concern.
expat) en dat om die reden de toetsing aan het vereiste van een redelijke grond (namelijk: de h-grond) en de toetsing aan het in art. 7:669 lid 1 BW Pro bedoelde herplaatsingsvereiste
voor dit gevalop hetzelfde neerkomt, namelijk een beoordeling van de herplaatsbaarheid van de werknemer. Dát oordeel is niet in strijd met het recht. De slotsom is dat alle klachten van onderdeel 1 falen.
plicht. Het gaat echter om een gehoudenheid die in de rechtsliteratuur pleegt te worden aangeduid met het Duitse woord
Obliegenheit: een verplichting waarvan de nakoming niet kan worden afgedwongen, maar aan het niet-nakomen waarvan wel een rechtsgevolg kan worden verbonden. Van een afdwingbaar recht van de werknemer op herplaatsing is geen sprake [37] . De Hoge Raad gebruikt het woord “herplaatsingsvereiste” [38] . Dat woord brengt beter tot uitdrukking dat herplaatsing een (negatieve) voorwaarde voor ontslag is: slechts indien herplaatsing niet mogelijk is of niet in de rede ligt, kan ingevolge art. 7:669 lid 1 BW Pro tot ontslag worden overgegaan.
categorischeuitzonderingen op het herplaatsingsvereiste en ruimte wilde laten voor nuancering. Een voorbeeld hiervan is het door de minister genoemde geval van een verstoorde arbeidsrelatie die beperkt is tot de “werkvloer” en kan worden weggenomen door een overplaatsing naar een andere plek. De minister benadrukte dat hij de zorg van de indiener van het amendement, dat de voorgestelde algemene herplaatsingsplicht “een verzwaring inhoudt ten opzichte van wat nu geldt”, kon wegnemen, omdat volgens de minister sprake is van een verplichting die ook in het vroegere recht al gold [52] .
Verruimdachten zij het vereiste, omdat de uitzondering voor gevallen waarin herplaatsing “niet in de rede” ligt, naar hun mening een (veel) beperkter strekking heeft dan de redelijkheidsmaatstaf die onder het oude recht gold. Volgens deze auteurs ziet die uitzondering slechts op sprekende gevallen waarin een herplaatsing in het geheel niet aan de orde komt, zoals gevallen van detentie, illegaliteit en verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer [53] .
Verzwaardachten zij het herplaatsingsvereiste, omdat de zo-even aangehaalde toelichting op art. 9 Ontslagregeling Pro – anders dan de voormalige UWV-beleidsregels (vgl. alinea 2.20 hiervoor) – niet verwijst naar de omstandigheden van het geval, maar zonder voorbehoud vermeldt dat een met ontslag bedreigde werknemer “voorrang geniet boven een externe sollicitant” en dat de werkgever die een externe kandidaat aanneemt terwijl de vacature als passend kan worden aangemerkt voor een met ontslag bedreigde werknemer, “zijn verplichting tot herplaatsing niet heeft vervuld”. Tegen deze achtergrond menen de bedoelde auteurs dat de herplaatsingsplicht onder het huidige recht tendeert naar een resultaatsverplichting. Zij bekritiseren het (vermeend) ontbreken van een “redelijkheidsventiel” en pleiten ervoor, de herplaatsingsplicht als een op het individuele geval toegesneden inspanningsverplichting te (blijven) beschouwen [54] .
weigert, een hernieuwde poging tot herplaatsing – uitzonderingen daargelaten [68] – niet in de rede ligt [69] .
expats. Zoals het hof in zijn bestreden beschikking heeft gesignaleerd (rov. 1.3.2, slot), hebben
expatsin verband met de van hen verlangde mobiliteit [70] een relatief kwetsbare positie. Zij zijn doorgaans voor korte tijd in dienst van verschillende werkgevers wereldwijd, met alle risico’s van dien voor hun werkgelegenheid. Daartegenover staat dat
expats,ter compensatie van deze risico’s, vaak hebben kunnen profiteren van een betrekkelijk royaal inkomen en aanvullende pensioen- en belastingvoorzieningen (zoals in dit geval de binnen het Shell-concern geldende IBAS-voorwaarden). In de vakliteratuur is een aanbeveling gedaan om in arbeidsvoorwaarden specifiek voor
expatsbestemde faciliteiten op te nemen die het vinden van vervangend werk kunnen bevorderen, zoals bijvoorbeeld het inschakelen van een internationaal outplacementbureau, vergoeding van repatriërings- en verhuiskosten, informatieverstrekking en begeleiding [71] . Dienovereenkomstig wordt in de rechtspraak (ook) ten opzichte van expats een actieve, persoonsgerichte inspanning van de werkgever tot herplaatsing van werknemers gevergd [72] . De onderhavige LTIA-regeling van Shell is eerder in de rechtspraak aan de orde geweest en toen toereikend bevonden [73] . Vanuit internationaal perspectief wijs ik nog op de
‘International Labour Standards on Migrant Workers’. De International Labour Organization (ILO) heeft deze opgesteld voor een
“adequate protection for this vulnerable category of workers”. Echter, deze standaarden lijken met name bedoeld te zijn om uitbuiting van ongeschoolde arbeidsmigranten te voorkomen. Volgens de ILO zijn
“skilled migrant workers (…) less vulnerable to exploitation”. De ILO wijst in dit verband mede op het belang van ontwikkelingslanden om niet te worden beroofd van
“valuable labour needed for their own economies” [74] .
herplaatsingsmogelijkhedenmoeten worden gesteld en onderzocht. Heeft de werkgever daarover niet voldoende gesteld, dan zal het ontbindingsverzoek reeds op die grond moeten worden afgewezen, tenzij op voorhand duidelijk is dat een herplaatsing niet in de rede ligt (in de zin van art. 7:669 lid 1 BW Pro [75] ) of niet is vereist (in de zin van art. 7:669 lid 2 BW Pro). Zijn er herplaatsingsmogelijkheden gesteld, dan zal vervolgens moeten worden beoordeeld of het in de rede ligt dat de werkgever die herplaatsingsmogelijkheden benut. Dat zal in beginsel het geval zijn, gelet op het wettelijke uitgangspunt van herplaatsing. Naar mijn mening moet de uitzondering voor het “niet in de rede” liggen van herplaatsing niet zozeer beperkt worden opgevat, dat die uitzondering slechts betrekking zou hebben op gevallen waarin op voorhand en in algemene zin duidelijk is dat herplaatsing is uitgesloten. Uit de hiervoor in alinea 2.29 aangehaalde beschikking van de Hoge Raad van 16 februari 2018 leid ik af dat de rechter ook op grond van een nadere weging van de omstandigheden van het geval tot het oordeel kan komen dat herplaatsing, ofschoon mogelijk en niet reeds
a prioriuitgesloten, (toch, bij nader inzien) niet in de rede ligt. In zoverre komt het mij voor dat het wettelijk stelsel al een “redelijkheidsventiel” kent. Dat ventiel is niet hetzelfde als de overkoepelende “redelijkheidsmaatstaf” uit het vóór de invoering van de Wwz geldende ontslagrecht.
corporate governancedie in een grote internationaal opererende en beursgenoteerde onderneming als het Shell concern gelden.” (rov. 8)
LTIA-regelingen het daartoe behorende
MOR-systeem(rov. 1.3.1 - 1.3.4), waarvan (iv) tussen partijen niet ter discussie staat dat dit systeem aan hoogopgeleide, zelfstandige werknemers, zoals deze werknemer, in beginsel voldoende mogelijkheden biedt om herplaatsing te onderzoeken (rov. 11). Verder valt te wijzen op (v) de in alinea 2.12 hiervoor genoemde vaststaande feiten, die erop neerkomen dat de werknemer reële kansen heeft gehad om zich te laten herplaatsen binnen het Shell-concern en (vi) een hem aangeboden functie die “passend” was in de zin van de LOR 2012, heeft geweigerd (rov. 25.4 - 26). In het licht van deze omstandigheden geeft het oordeel dat herplaatsing elders binnen het concern via de door de werknemer bepleite voorrang boven andere kandidaten “niet in de rede” ligt, m.i. geen blijk van miskenning van het wettelijk systeem [76] .
afgedwongen. Het gaat erom dat de reeds bestaande arbeidsovereenkomst niet kan worden beëindigd wanneer niet aan het herplaatsingsvereiste is voldaan [77] . Dat is op zichzelf juist, maar laat onverlet dat de wel of niet afdwingbaarheid van herplaatsing bij een ander concernonderdeel een belangrijk gezichtspunt kan zijn bij de beoordeling of herplaatsing in concernverband in de gegeven omstandigheden “in de rede” ligt (vgl. alinea 2.26 hiervoor). Als een herplaatsing niet kan worden afgedwongen, kan de slotsom zelfs zijn dat herplaatsing in concernverband in het geheel “niet mogelijk” is [78] . Onderdeel 2.1 faalt.
expats(rov. 15). De werknemer mist belang bij deze klacht, omdat de bestreden overweging uitsluitend betrekking heeft op de door de werknemer gestelde mogelijkheid van herplaatsing ten tijde van de beslissing in hoger beroep. De klacht miskent dat de bestreden overweging niet het oordeel draagt dat herplaatsing
op het tijdstip van de indiening van het ontbindingsverzoekniet in de rede lag.
onderdeel 3.1dat het hof heeft miskend dat een werkgever niet kan volstaan met het bekendmaken van vacatures binnen het bedrijf. Voor zover het hof dit niet heeft miskend, klaagt het onderdeel dat het oordeel onvoldoende is gemotiveerd, omdat uit de bestreden beschikking niet blijkt dat de werkgever meer heeft gedaan dan “het bijhouden, bekendmaken en soms langer openhouden van vacatures”.
Onderdeel 3.2klaagt dat het hof heeft miskend dat een passende functie simpelweg moet worden aangeboden aan de werknemer, zonder een voorafgaande sollicitatieprocedure. Voor zover het hof dit niet heeft miskend, klaagt het onderdeel dat het hof zijn oordeel dat de werkgeefster voldoende inspanningen tot herplaatsing heeft verricht, nader had moeten motiveren.
MAAheeft aangeboden (rov. 1.9) en dat die functie “passend” was in de zin van de LOR 2012 (rov. 25.4). Verder staat vast dat de werkgeefster actief de werknemer heeft gewezen op andere passende functies bij concernvennootschappen (rov. 11, slot) en dat de
Maritime Global Skillpool Managervan Shell verschillende acties heeft ondernomen ten behoeve van herplaatsing van de werknemer, waaronder het “promoten” van de werknemer bij andere vennootschappen binnen het concern (rov. 14). Mede gelet op het door Shell gehanteerde
MOR-systeem, waarvan tussen partijen niet ter discussie staat dat het voor hoogopgeleide en zelfstandige werknemers zoals deze werknemer in beginsel voldoende mogelijkheden verschaft om ook zelf de mogelijkheden tot herplaatsing te onderzoeken (rov. 11), is niet onbegrijpelijk waarop het uiteindelijke oordeel berust dat de door de werkgeefster verrichte herplaatsingsinspanningen toereikend zijn geweest.
enin de rede ligt, kan de werknemer niet worden ontslagen zonder dat hem de desbetreffende functie is aangeboden. Een verplichting daartoe is niet aan de orde indien herplaatsing onder de gegeven omstandigheden “niet mogelijk is of niet in de rede ligt”, in de zin van art. 7:669 lid 1 BW Pro. Met andere woorden, de op herplaatsing gerichte inspanningsverplichting is een verplichting die aan de uiteindelijke herplaatsingsplicht vooraf gaat. In dit geval heeft het hof geoordeeld − en kunnen oordelen − dat een herplaatsing in een functie bij een onderneming elders in het concernverband, zo nodig door toekenning van de door de werknemer bepleite voorrang boven andere kandidaten, niet in de rede lag. Aldus redenerend, is het hof niet toegekomen aan de in het middelonderdeel bedoelde verplichting om de desbetreffende functie(s) daadwerkelijk aan de werknemer aan te bieden. In zoverre berust ook deze klacht op een onjuiste uitleg van de overwegingen van het hof. Onderdeel 3 faalt.
MOR-systeem waarin alle vacatures binnen het Shell-concern – ook komende vacatures bij de “lokale” vennootschappen – tijdig zichtbaar zijn voor de werknemer. Daarnaast vermeldt het hof dat het bij de in art. 9, lid 1 onder b, Ontslagregeling bedoelde arbeidsplaatsen óók gaat om kwesties die typisch de Nederlandse arbeidsmarkt betreffen, zoals arbeidsplaatsen van bijna AOW-gerechtigden en zzp-ers. Hiermee bedoelt het hof te zeggen dat de Ontslagregeling wat betreft die typisch Nederlandse kwesties niet rechtstreeks kan worden toegepast op arbeidsplaatsen in het buitenland. Het gaat daarbij om arbeidsplaatsen van een type dat het buitenlandse arbeidsrecht niet kent. Dat oordeel is niet onjuist, noch onbegrijpelijk. Het hof heeft juist onderkend dat bij herplaatsing in concernverband in de regel ook de buitenlandse arbeidsplaatsen moeten worden betrokken. Onderdeel 4 faalt.