Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2018:2654

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 maart 2018
Publicatiedatum
29 maart 2018
Zaaknummer
6420131
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 onderdeel a BWArt. 7:669 lid 3 onderdeel h BWArt. 7:671a lid 1 BWArt. 7:671b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid

De werkgever verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer op grond van bedrijfseconomische omstandigheden na een brand die het bedrijfsgebouw onbruikbaar maakte. De werknemer was arbeidsongeschikt en ontving sinds begin 2017 geen loon meer. De werkgever stelde dat herplaatsing niet mogelijk was en dat het voor de werknemer beter was de arbeidsovereenkomst te beëindigen.

De werknemer wilde in dienst blijven en werken aan zijn re-integratie, maar erkende dat dit belemmerd werd. Hij stelde bij ontbinding aanspraak te maken op achterstallig loon en transitievergoeding. De kantonrechter oordeelde dat niet kon worden vastgesteld dat ontbinding in het belang van de werknemer was, waardoor de ontbindingsgrond op h-grond niet van toepassing was.

Vervolgens stelde de kantonrechter vast dat het verzoek feitelijk berustte op de a-grond (bedrijfseconomische omstandigheden), waarvoor eerst toestemming van het UWV vereist is. Omdat deze toestemming niet was gevraagd, verklaarde de kantonrechter het verzoek niet-ontvankelijk en wees de proceskosten toe aan de werknemer.

Uitkomst: Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van toestemming van het UWV.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht
Sectie Kanton - locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 6420131 \ AO VERZ 17-144
Uitspraakdatum: 23 maart 2018
Beschikking in de zaak van:
de commanditaire vennootschap
[naam c.v.],
gevestigd te [vestigingsplaats]
verzoekende partij
verder te noemen: [werkgever]
gemachtigde: mr. E.J. van de Bovenkamp (DAS)
tegen
[werknemer],
wonende te [woonplaats]
verwerende partij
verder te noemen: [werknemer]
procederend in persoon

1.Het procesverloop

1.1.
[werkgever] heeft op 26 oktober 2017 een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden.
1.2.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 12 januari 2018. Bij die gelegenheid zijn beide partijen verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.
1.3.
Vervolgens heeft de kantonrechter een voortgezette mondelinge behandeling bepaald teneinde [werknemer] in de gelegenheid te stellen juridisch advies in te winnen. Op 23 februari 2018 heeft deze voortgezette mondelinge behandeling plaatsgevonden. Op die zitting is de gemachtigde van [werkgever] verschenen. [werknemer] is op die zitting niet verschenen. Wel heeft mr. S.M. van der Salm voorafgaand aan de zitting bij brief van 22 februari 2018 een verweerschrift namens [werknemer] ingediend. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat de gemachtigde van [werkgever] ter zitting naar voren heeft gebracht.

2.De feiten

2.1.
[werknemer] , geboren op [geboortedatum] 1984, is op 9 juni 2014 bij [werkgever] in dienst getreden.
2.2.
De functie van [werknemer] is medewerker bediening/barman.
2.3.
Het salaris van [werknemer] bedroeg laatstelijk € 814,41 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag.
2.4.
Bij een grote brand in de nacht van 18 april 2016 is het pand waarin [werkgever] haar onderneming exploiteert dermate beschadigd, dat het pand onbruikbaar is geworden.
2.5.
De brandverzekeraar van [werkgever] , ASR, weigert om een uitkering te betalen. [werkgever] is voornemens een procedure daarover de starten.
2.6.
[werknemer] krijgt sinds begin 2017 geen loon meer.
2.7.
[werknemer] is arbeidsongeschikt.
2.8.
Feitelijk vinden er na de brand geen activiteiten meer plaats in de onderneming van [werkgever] .

3.Het verzoek

3.1.
[werkgever] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden op grond van artikel 7:671b, gelezen in samenhang met artikel 7:669 lid 1 en Pro lid 3 onderdeel h van het Burgerlijk Wetboek (BW).
3.2.
[werkgever] legt aan dit verzoek ten grondslag - samengevat - dat sprake is van andere dan de in artikel 7:669 lid 3 onder Pro a tot en met g BW genoemde omstandigheden, die zodanig zijn dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te laten voortduren en dat herplaatsing van [werknemer] niet meer mogelijk is. Als gevolg van de brand vinden feitelijk geen activiteiten meer plaats binnen haar onderneming. De werknemers ontvangen al sinds begin 2017 geen loon of inkomen meer en ook de arbodienst kan niet meer worden betaald, waardoor er niets aan re-integratie wordt gedaan. De bijzondere omstandigheden en het persoonlijk leed van [werknemer] in combinatie met het ontbreken van inkomen maken dat [werknemer] belang heeft bij het einde van zijn arbeidsovereenkomst.

4.Het verweer

4.1.
[werknemer] verweert zich tegen het verzoek. Hij voert aan dat hij in beginsel in dienst wil blijven, loon wil ontvangen en wil werken aan zijn re-integratie. Aan de andere kant ziet hij in dat, juist gelet op alle feiten en omstandigheden die zich voordoen bij zijn werkgever, zijn re-integratie wordt belemmerd en dat hij dus mogelijk belang heeft bij een einde van de arbeidsovereenkomst. Voor het geval de arbeidsovereenkomst mocht worden ontbonden maakt [werknemer] aanspraak op achterstallig loon en op de transitievergoeding.

5.De beoordeling

5.1.
Nu aan de hand van het verweer van [werknemer] niet kan worden vastgesteld dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst in zijn belang zou zijn, is de kantonrechter van oordeel dat van een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van het bepaalde in artikel 7:669 lid 3 onderdeel Pro h BW geen sprake kan zijn. Immers, de mededeling dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst mogelijk in het belang van [werknemer] is, houdt niet in dat hij daarbij belang heeft, zodat van een situatie als aan de orde in de uitspraak van de kantonrechter Rechtbank Gelderland locatie Nijmegen (ECLI:NL:RBGEL:2017:1076), waarnaar [werkgever] heeft verwezen geen sprake is. Omdat niet kan worden vastgesteld dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst in het belang van [werknemer] is, moet worden vastgesteld dat het verzoek van [werkgever] in feite gegrond is op het vervallen van de arbeidsplaats van [werknemer] als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming, dan wel het, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, noodzakelijkerwijs vervallen van de arbeidsplaats van [werknemer] als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering in de zin van artikel 7:669 lid 3 onderdeel Pro a BW. Gelet op artikel 7:671a lid 1, BW, in verbinding met artikel 7:671b lid 1 BW, moet [werkgever] voor een ontslag op die grond (eerst) toestemming vragen aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Dat is niet gebeurd. Hierom is het verzoek niet-ontvankelijk.
5.2.
Gelet op de uitkomst van deze procedure dient [werkgever] in de proceskosten te worden verwezen.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
verklaart het verzoek niet-ontvankelijk;
6.2.
verwijst [werkgever] in de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [werknemer] vaststelt op nihil.
Deze beschikking is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter en op 23 maart 2018 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter