Conclusie
middelbevat de navolgende klachten:
primairdat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift de onjuiste maatstaf heeft gehanteerd door bij haar toets aan art. 94a lid 4 of 5 Sv het strafvorderlijk belang van het beslag te betrekken, terwijl dit geen deel uitmaakt van de toetsingsmaatstaf;
subsidiairdat het impliciete oordeel van de rechtbank dat het buiten redelijke twijfel is dat [klager] als eigenaar is aan te merken van de banktegoeden en vorderingen niet begrijpelijk is;
meer subsidiairdat het oordeel van de rechtbank dat de officier van justitie zich met betrekking tot de door haar gestelde schijnconstructies zich enkel heeft gebaseerd op de familiaire betrekking tussen [klager] en [betrokkene 1] in het licht van wat door de officier van justitie is aangevoerd met betrekking tot de vermeende schijnconstructie niet zonder meer begrijpelijk is.
Feiten
Standpunt klager en standpunt officier van justitie
Beoordeling klacht
zijnlezing van het oordeel van de rechtbank (zie hieronder 5.4.2 en 5.4.3). Gelet hierop acht ik het noodzakelijk als eerste te bespreken hoe naar mijn mening het oordeel van de rechtbank omtrent de (resterende) omvang van het beslag moet worden gelezen, voordat ik het middel inhoudelijk zal bespreken.
spaarrekening van [klager] bij Van Lanschot Bankiers en is het beslag ten aanzien van de
betaalrekening bij Van Lanschot Bankiers en de vordering op [A] B.V. in zijn geheel opgeheven. Feitelijk heeft het openbaar ministerie een bedrag van 1.776.891,24 euro vrijgegeven op de wijze zoals in de bestreden beschikking is weergegeven:
betaalrekening bij Van Lanschot Bankiers;
spaarrekening bij Van Lanschot Bankiers;
spaarrekening op naam van [klager] bij Van Lanschot Bankiers tot een bedrag van 1.869.634,48 euro (in plaats van 2.712.743,24 euro). [7]
spaarrekening (nummer [002] ) bij Van Lanschot Bankiers op naam van [klager] , ter beoordeling voor.
De officier van justitiemerkt, in aanvulling op haar notities, op:
De raadsman deelt mede:
De officier van justitiedeelde mede: