ECLI:NL:PHR:2012:BU8740
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tussentijdse toetsing en beslaglegging bij strafrechtelijk financieel onderzoek
In deze zaak stond centraal de vraag of de rechter-commissaris tussentijds de machtiging tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek (sfo) moet toetsen wanneer het conservatoir beslag pas na een aanzienlijke tijd wordt gelegd. De Hoge Raad bevestigde dat de wet geen termijn verbindt aan de geldigheid van een machtiging ex artikel 126 lid 3 Sv Pro en dat de rechter-commissaris niet bevoegd is tot tussentijdse toetsing; deze taak ligt bij de rechtbank die kan ingrijpen bij nodeloze vertraging.
Daarnaast werd geoordeeld dat het openbaar ministerie bij het leggen van het beslag binnen het bedrag is gebleven dat in de processen-verbaal van inbeslagneming is geschat, en dat dit bedrag niet onredelijk hoog is. De rechtbank had abusievelijk gesproken over het bedrag van de machtiging, maar dit deed geen afbreuk aan de rechtmatigheid van het beslag.
Verder werd bevestigd dat conservatoir beslag tijdens een sfo uitsluitend kan worden gelegd met het oog op een op te leggen ontnemingsmaatregel en niet voor een geldboete. De rechtbank had terecht geoordeeld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming zal opleggen, waardoor het klaagschrift ongegrond werd verklaard.
De Hoge Raad verwierp alle middelen van cassatie en bevestigde daarmee de bestreden beschikking van de rechtbank.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat tussentijdse toetsing van de machtiging niet vereist is en het conservatoir beslag rechtmatig was.