Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
in het geheel niet meeraan de orde zijn. Ik meen dat er aanleiding bestaat om de juistheid – althans volledigheid – van die opvatting in twijfel te trekken. Uw Raad heeft niet gezegd dat bij de toepassing van art. 5:79 BW Pro een belangenafweging nimmer aan de orde is. Uw Raad heeft gezegd dat de beoordelingsmaatstaf van dat artikel uitgaat van alleen het belang van de gerechtigde bij de uitoefening van zijn recht en heeft daaraan geheel terecht de conclusie verbonden dat de belangen van de eigenaar van het dienende erf bij opheffing in beginsel geen rol spelen. Uw Raad heeft echter ook verwezen naar het leerstuk van misbruik van bevoegdheid en uit het gebruik van het woordje ‘behoudens’ volgt dat met die verwijzing is geïmpliceerd dat de belangen van de eigenaar van het dienende erf in die context tóch een rol kunnen spelen. Spelen die belangen in de context van misbruik van bevoegdheid inderdaad toch een rol, dan is uiteraard vervolgens enigerlei afweging met de belangen van de eigenaar van het dienende erf onontkoombaar. Uw Raad werkt dat in het arrest niet uit en voor de te beslissen zaak behoefde dat ook niet. De rechtbank – oordelend over de onteigening met toepassing van art. 44 Ow Pro – was uitgegaan van een belangenafweging
zonder meer,en dat was hoe dan ook onjuist.
nietin tegenspraak met de wetsgeschiedenis van de toepasselijke regels van overgangsrecht, die in de motivering van bedoeld arrest en in de voorafgaande conclusie van wnd. A-G Van Oven zo’n prominente rol speelt. Ook in gevallen van, kort gezegd, duurzame misbruik van bevoegdheid leidt de opheffing van onder het oude recht gevestigde erfdienstbaarheden niet tot een materiële aantasting van de positie van de gerechtigden tot die erfdienstbaarheden en ook in die gevallen moet voorzetting van de erfdienstbaarheid voor de gerechtigden niet van betekenis worden geacht. Onder het oude recht was in die gevallen uitoefening van de erfdienstbaarheid door de eigenaar van het heersende erf evenmin toegelaten als onder het huidige recht. Met het bekende Amotiearrest (of: ‘Grensoverschrijdende garage’) [7] was immers ook voor het oude recht uitgemaakt dat ook het geval dat men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen, misbruik van bevoegdheid (recht) oplevert. De opheffing leidt er enkel toe dat de openbare registers met de rechtswerkelijkheid in overeenstemming worden gebracht. Dat is een winst die niet ten koste van de rechtspositie van de eigenaar wordt behaald (in plaats daarvan enkel ‘ten koste van’ diens
schijnbarepositie).
wijzigingvan de erfdienstbaarheid behoefde in deze gevallen niet geregeld te worden, omdat de eigenaar van het dienende erf deze nimmer zou instellen: de erfdienstbaarheid kan immers in beide gevallen toch niet worden uitgeoefend, in het ene geval omdat dit onmogelijk is, in het andere geval omdat uitoefening misbruik van recht zou opleveren. Het enige belang dat de eigenaar van het dienende erf bij de actie tot opheffing geregeld in artikel 8a heeft, is daarom dat de erfdienstbaarheid uit de openbare registers verdwijnt.’
eerste onderdeelricht zich tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 3.14. Die overweging luidt:
nubij de uitoefening van de erfdienstbaarheid heeft. Dit belang hoeft niet precies hetzelfde belang te zijn als het belang dat aanleiding gaf tot het vestigen van de erfdienstbaarheid.
tweede onderdeelvalt uiteen in twee subonderdelen, die zich beide richten tegen de laatste volzin van rechtsoverweging 3.14 (hiervoor reeds aangehaald).
ubonderdeel 2.1is, zonder nadere motivering, onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat het gaat om een ‘beperkte afstand… die in enkele minuten kan worden overbrugd’. Volgens de klacht heeft [eiser] in eerste aanleg gesteld en in hoger beroep gehandhaafd dat uitwegen via de [b-straat] een omweg van telkenmale 12 km zou vergen, [18] terwijl het hof de juistheid van deze stelling in het midden heeft gelaten. De steller van het middel wijst er in dit verband op dat de maximumsnelheid voor een landbouwtrekker 25 km/h bedraagt. Een tweede klacht komt erop neer dat het hof, als het van oordeel was dat de omweg minder bedroeg dan de door [eiser] gestelde 12 km, onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang.
subonderdeel 2.2heeft het hof miskend dat de gerechtigde tot een erfdienstbaarheid pas geen redelijk belang meer heeft bij de uitoefening ervan in de zin van art. 5:79 BW Pro, als de voortzetting van de erfdienstbaarheid voor hem niet van betekenis moet worden geacht en is ook het belang van een gunstigere route ten opzichte van een alternatieve uitweg van betekenis en een redelijk belang. Vervolgens klaagt het subonderdeel dat ’s hofs oordeel in ieder geval zonder nadere motivering onvoldoende begrijpelijk is.
derde onderdeelricht zich tegen rechtsoverweging 3.8 van het hof. Die overweging luidt:
subonderdeel 4.1is het oordeel van het hof dat ‘de als productie A overgelegde pagina’s nauwelijks en de als productie B overgelegde pagina’s niet leesbaar zijn, zodat niet valt na te gaan of de volledige afschriften van beide aktes zijn overgelegd’ zonder nadere motivering onbegrijpelijk, nu productie A bestaat uit bladen die doorlopend genummerd zijn en in de marge het nummer van de akte vermelden, het begin en einde van de als productie A overlegde akte voldoende duidelijk leesbaar zijn en het begin en einde van de als productie B overlegde akte goed zijn te herkennen. Daar komt volgens het subonderdeel bij dat niet valt in te zien waarom het Kadaster aan [eiser] onvolledige aktes zou toezenden.
subonderdeel 4.
2had het hof niet zonder nader deskundigenonderzoek en niet zonder partijen gelegenheid te geven zich nader uit te laten mogen volstaan met de vaststelling dat de overlegde pagina’s niet of nauwelijks leesbaar zijn, zodat niet kan worden vastgesteld of de erfdienstbaarheid daadwerkelijk gevestigd is, nu het gaat om de rechtstoestand van een onroerende zaak, kopieën van de authentieke aktes in het geding zijn gebracht en uit het in het geding gebrachte rapport van het erfdienstbaarheidsonderzoek blijkt dat in de aktes tekst voorkomt die mogelijk de erfdienstbaarheid betreft.
subonderdeel 4.3heeft het hof, door zich in rechtsoverweging 3.12 te baseren op een zinsnede uit de akte van 1888, miskend dat de relevante partijbedoelingen moeten worden afgeleid uit de in de notariële akte gebruikte bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van
de gehele inhoudvan de akte. Daarnaast is overweging 3.12 volgens het subonderdeel niet verenigbaar met overweging 3.6, althans, is zonder nadere motivering onbegrijpelijk dat het hof enerzijds van oordeel is dat er uit de aktes van 1888 en 1921 geen conclusies kunnen worden getrokken over de vestiging van de erfdienstbaarheid, en anderzijds op basis van dezelfde aktes tot de conclusie komt dat aan de voorwaarden voor opheffing van de erfdienstbaarheid is voldaan.