Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
BNB2016/222, [1] de herwaarderingswinst ex art. 15ai Wet Vpb onder de term ‘opbrengst’ in art. 3.54 Wet IB 2001 begrepen kan worden, zodat de herwaarderingswinst in beginsel in een HIR kan worden opgenomen. Nu de onroerende zaak echter reeds in 2007 is overgedragen, had de belanghebbende uiterlijk in 2010 moeten herinvesteren. Zij heeft pas in 2011 geherinvesteerd, zodat de boekwinst volgens het Hof terecht in 2010 is belast.
BNB1998/193 (
trawler-arrest), [2] op één lijn kan worden gesteld met de verkoop van de tot het vermogen van [B] BV behorende activa en passiva en (ii) dat de relevante vervreemding fiscaalrechtelijk niet in 2007, maar in 2010 plaatsvond.
trawler-arrest werd de aankoop van aandelen in een BV die de vervangende
trawlerbezat en die daarna in een fiscale eenheid gevoegd werd, aangemerkt als ‘vervanging’ van twee eerder vervreemde schepen. Ad (ii) stelt de belanghebbende dat fiscaalrechtelijk de vervreemding van de onroerende zaak in 2010 plaatsvond en dat in dat jaar ook de ‘opbrengst’ (de boekwinst) is ontstaan. De civielrechtelijke overdracht in 2007 was fiscaalrechtelijk onzichtbaar, zodat toen geen boekwinst werd gemaakt en geen HIR kon worden gevormd. ‘s Hofs oordeel dat enkel in 2010 een HIR had kunnen worden afgeboekt, schendt art. 3.54 Wet IB 2001, dat immers het jaar van vervreemding en de drie volgende boekjaren als herinvesteringstermijn geeft.
trawler-arrest niet dat de aankoop van BV-aandelen de vervanging van een bedrijfsmiddel inhoudt, maar slechts dat de ‘vervanging’ in de zin van art. 14 Wet Pro IB 1964 pas plaatsvond bij de voeging van de maatschappij die het vervangende bedrijfsmiddel in eigendom had. Ook ik meen dat het
trawler-arrest weinig licht werpt op belanghebbendes geval: in die zaak stond vast dat er een ‘vervreemding’ en een ‘opbrengst’ in de zin van art. 3.54 Wet IB 2001 waren. Het ging in die zaak niet, zoals in casu, om de vraag of gereserveerd kon worden (dat kon), maar om de vraag of de reeds bestaande reserve vrij viel of afgeboekt kon worden. De belanghebbende heeft het
trawler-arrest mijns inziens ook niet nodig om een ‘vervreemding’ en een ‘opbrengst’ te kunnen constateren. Er is immers hoe dan ook een overdracht; ofwel in 2007 (civielrechtelijk), ofwel in 2010 (fiscaalrechtelijk). Uit HR
BNB2016/222 kan afgeleid worden dat er ook een ‘opbrengst’ is in de zin van art. 3.54 Wet IB 2001.
stand alonebasis bij de civielrechtelijke vervreemding in 2007 geboekt zou hebben moeten worden. Het Hof heeft daarom mijns inziens terecht geconcludeerd dat de herwaarderingsplicht van art. 15ai Wet Vpb ziet op een overdracht. Uit HR
BNB2016/222 en HR
BNB1998/232 volgt mijns inziens overigens dat ook slechts fiscaalrechtelijke ‘vervreemding’ (onttrekking, overbrenging naar privé of ontvoeging) een ‘vervreemding’ c.q. ‘vervanging’/’ruil’ kan zijn in de zin van art. 3.54 Wet IB 2001 en de ruilarresten en dat het verschil tussen de onttrekkings/ontvoegingswaarde en de boekwaarde op grond van de ruilarresten en art. 3.54 Wet IB 2001 afgeboekt c.q. gereserveerd kan worden. Er is in casu dus een ‘vervreemding’ in de zin van art. 3.54 Wet IB 2001, ofwel in 2007, ofwel in 2010 (of beide).
BNB2016/222 wordt mijns inziens in casu ook voldaan aan het criterium ‘opbrengst’ van art. 3.54 Wet IB 2001. Art. 15ai Wet Vpb betrekt immers de civielrechtelijke overdracht in 2007 alsnog in 2010 fiscaalrechtelijk in de heffing op basis van de WEV bij ontvoeging, die hoger is dan de boekwaarde, zodat het volgens HR
BNB2016/222 “voor de hand [ligt] om ook voor het begrip ‘opbrengst’ in artikel 3.54, lid 1, Wet IB 2001 uit te gaan van die hogere waarde”.
draagsterin de beschouwing wordt betrokken, blijkt te meer dat HIR-dotatie van herwaarderingswinst ex art. 15ai niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest. Reservering van de herwaarderingswinst bij ontvoeging van de overdraagster leidt ertoe dat die HIR meteen wordt afgeboekt op de zojuist op grond van art. 15ai(1) opgewaardeerde kostprijs van het bij de eenheid verblijvende bedrijfsmiddel, zodat de wettelijk vereiste herwaardering meteen ongedaan gemaakt zou worden. Dat is onverenigbaar met de uit art. 15ai Wet Vpb expliciet blijkende wens van de wetgever om bij ontvoeging van de overdraagster af te doen rekenen over de stille reserve. De wetgever kan mijns inziens niet een HIR-technisch verschil gewenst hebben tussen ontvoeging van de overneemster en ontvoeging van de overdraagster. Uit de wetsgeschiedenis blijkt voorts expliciet dat de wetgever de gevallen van de tweede en de derde volzin als wezenlijk gelijk zag aan die van de eerste volzin, zodat alle gevallen van alle drie de volzinnen gelijk moeten worden behandeld.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Trawler-arrest. Zij stelde voorts dat het mogelijk is dat de interne overdracht binnen de normale bedrijfsuitoefening past.
BNB1998/193 (het
trawler-arrest) kan de belanghebbende niet baten. Dat arrest zegt slechts dat de trawler van de dochter tot het fiscale vermogen van de moedermaatschappij ging behoren toen de dochter met haar werd gevoegd en dat daarmee de vervanging van de eerder verkochte bedrijfsmiddelen door de moeder een feit was. Dat arrest houdt niet in dat ‘bedrijfsmiddel’ in art. 3.54 Wet IB 2001 ook omvat ‘deelneming met een bedrijfsmiddel’. Art. 3.54 Wet IB 2001 eist bovendien een boekwinst, die er volgens de Rechtbank in casu niet is, nu herwaarderingswinst geen boekwinst is. Het gelijkheidsbeginsel achtte de Rechtbank evenmin geschonden, bij gebrek aan vergelijkbaarheid van de gevallen. De stelling dat art. 15ai Wet Vpb zou beogen een aandelentransactie fiscaal gelijk te stellen aan een activumtransactie, vindt volgens de Rechtbank geen steun in het recht. De belanghebbende heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de overdracht van de onroerende zaak paste binnen de normale bedrijfsuitoefening.
trawler-arrest, dat volgens haar zegt dat de vermogensbestanddelen van een dochter in een fiscale eenheid aan de moeder moeten worden toegerekend, zodat in haar geval de onroerende zaak tot haar vermogen behoorde. Door de verkoop van de deelneming in de gevoegde dochter wordt de vervreemding van de onroerende zaak zichtbaar. Zij heeft ook haar beroep op het gelijkheidsbeginsel herhaald, stellende dat zowel in haar geval als in het geval waarin zij enkel de onroerende zaak zou hebben verkocht die onroerende zaak aan haar wordt toegerekend. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt volgens haar dat het doel van art. 15ai Wet Vpb is de fiscaal gelijke behandeling van een activumtransactie en een aandelentransactie. Fiscaal bezien is de aandelentransactie in casu een activumtransactie omdat de onroerende zaak aan de belanghebbende wordt toegerekend.
trawler-arrest verworpen:
BNB2016/222 tot de conclusie voert dat in beginsel die herwaarderingswinst aan een HIR kan worden toegevoegd:
3.Het geding in cassatie
trawler-arrest, door de onderdelen 7.4 en 7.5 van de conclusie van de plv. P-G Van Soest in die zaak en de noot van Van der Geld bij dat arrest in
BNB. Zij ziet in haar geval het spiegelbeeld van HR
BNB 1998/193, dat een BV betrof die een
trawlerhuurde, vervolgens de aandelen kocht in de vennootschap waarvan zij de
trawlerhuurde en die vennootschap vervolgens in haar fiscale eenheid opnam. De Hoge Raad oordeelde dat ‘eerst met de totstandkoming van de fiscale eenheid deze vervanging is gerealiseerd, aangezien alsdan geacht moet worden dat het schip tot het vermogen van belanghebbende is gaan behoren’. Fiscaal bezien was dus sprake van vervanging. Dit betekent –spiegelbeeldig– dat in casu de onroerende zaak fiscaalrechtelijk het vermogen van de belanghebbende (de eenheid) verliet (fiscale vervreemding) op het moment van ontvoeging van [B] BV. De belanghebbende meent voorts dat uit de parlementaire geschiedenis [7] blijkt dat het doel van art. 15ai Wet Vpb is om een aandelentransactie fiscaal hetzelfde te behandelen als een activatransactie.
verweerbetoogt de Staatssecretaris ad (i) en ad (ii) dat noch in 2007, noch in 2010 sprake is van de vervreemding van een bedrijfsmiddel. Het
Trawler-arrest is niet relevant omdat in casu het bedrijfsmiddel, anders dan in dat arrest, eigendom blijft van de verkochte vennootschap. In 2007 deed zich geen vervreemding van een bedrijfsmiddel voor omdat de onroerende zaak fiscaal op de geconsolideerde balans van de eenheidsmoeder bleef staan; in 2010 deed zich geen vervreemding van een bedrijfsmiddel voor omdat toen alleen een deelneming werd vervreemd. Uit de parlementaire geschiedenis [8] blijkt dat de wetgever bij de vervanging van de 16e standaardvoorwaarde door art. 15ai Wet Vpb geen aanleiding zag om opneming van de herwaarderingswinst ex art. 15ai Wet Vpb in een HIR toe te staan. De Staatssecretaris acht ‘s Hofs oordeel dat dergelijke herwaarderingswinst in beginsel aan een HIR kan worden toegevoegd dan ook onjuist. Zou u niettemin menen dat art. 3.54 Wet IB 2001 toegepast kan worden, dan meent de Staatssecretaris met het Hof dat de vervreemding in 2007 plaatsvond, zodat herinvestering uiterlijk in 2010 had moeten plaatsvinden en bij gebrek daaraan de herwaarderingswinst terecht in 2010 is belast. De Staatssecretaris wijst er op dat bij verkoop van de aandelen in een gevoegde dochtermaatschappij art. 14 van Pro het Besluit fiscale eenheid 2003 van toepassing is.
repliekstelt de belanghebbende ad (i) dat art.14 Besluit Pro fiscale eenheid niet relevant is, nu die bepaling niets afdoet aan het feit dat de ontvoeging een vervreemding van de onroerende zaak meebrengt door de eenheid aan de ontvoegde dochter. Nu de herwaarderingswinst, gezien HR
BNB2016/222, kan worden gekwalificeerd als ‘opbrengst’ in de zin van art. 3.54 Wet IB 2001, kan zij worden toegevoegd aan de HIR. Als de fiscale eenheid de intern verschoven onroerende zaak aan een derde had verkocht, zou zij een HIR hebben kunnen vormen. Dan moet dat volgens de belanghebbende ook in casu kunnen, nu in beide gevallen een onroerende zaak fiscaalrechtelijk het vermogen van de eenheid verlaat. Ad (ii) herhaalt de belanghebbende haar standpunt dat de HIR niet in 2007, maar in 2010 is gevormd, ten tijde van de ontvoeging.
4.‘Vervreemding’ en ‘opbrengst’ in art. 3.54 Wet IB 2001 (herinvesteringsreserve)
Wettekst, wetsgeschiedenis, ratio en verband met de ruilarresten
BNB1990/62 [12] leert dat de ruilarresten niet alleen van toepassing kunnen zijn op bedrijfsmiddelen, maar ook op andere activa in een ondernemingsvermogen. De ruilarresten en art. 3.54 Wet IB 2001 vertonen veel overeenkomsten. De ruilarresten zien echter alleen op gevallen waarin een concreet plan bestaat om in directe samenhang met de vervreemding van het activum een vervangend activum te verwerven. In HR
BNB2010/336 overwoog u:
BNB1981/172 [13] leerde dat de ruilarresten niet overbodig zijn geworden door de invoering van de vervangingsreserve. Dit houdt echter niet in dat een belastingplichtige naar eigen inzicht kan kiezen tussen de ruilarresten en art. 3.54 Wet IB 2001. In HR
BNB2014/176 [14] overwoog u:
BNB2016/222 verwees u daartoe naar de parlementaire geschiedenis van art. 14 Wet Pro IB 1964, die onder meer vermeldt: [15]
BNB1960/123 [16] omschreef u de term ‘vervreemding’ in art. 19 Besluit Pro IB 1941 als “elke rechtshandeling waardoor de eigenaar (…) zijn vermogen in dat van een ander doet overgaan”. De literatuur ging er onder meer op basis van het hieronder (4.7) geciteerde arrest HR
BNB1970/93 van uit - tot HR
BNB2016/222 - dat die omschrijving ook gold voor het vervreemdingsbegrip in art. 3.54 Wet IB 2001 [17] , en dat het om een civielrechtelijk vervreemdingsbegrip ging (dus niet om een fiscaalrechtelijke onttrekking). [18]
BNB1998/232 [19] heeft u echter het begrip ‘vervanging’ voor de toepassing van de
ruilarrestenal ruimer uitgelegd, nl. als mede omvattende overbrenging van ondernemings-vermogen naar privé-vermogen, dus zonder rechtshandeling die civielrechtelijk het activum doet overgaan in het vermogen van een ander:
BNB1970/93 [20] verstond u onder ‘opbrengst’ (in art. 14 Wet Pro IB 1964) hetgeen daadwerkelijk wordt verkregen bij vervreemding. De zaak betrof een belastingplichtige die samen met A in maatschapsverband in onroerend goed handelde. Tot het vermogen van de maatschap behoorde een pand waarvan een deel werd verkocht aan de zoon van de belastingplichtige en A voor een prijs beneden de WEV. In geschil was of het verschil tussen de WEV en de boekwaarde gereserveerd kon worden of slechts het verschil tussen de verkoopprijs en de boekwaarde. U overwoog:
BNB2016/222 [21] bent u teruggekomen van dit arrest en heeft u de term ‘opbrengst’ in art. 3.54 Wet IB 2001 ruimer geïnterpreteerd. De zaak betrof een moedervennootschap van een fiscale eenheid waartoe in 2005 dochtermaatschappij E BV behoorde. De aandelen in de belastingplichtige werden middellijk gehouden door A. In 2005 heeft E BV 21 verhuurde woningen verkocht aan A en diens kinderen voor € 1.050.000. Een boekenonderzoek door de fiscus resulteerde in de bevinding dat een zakelijke verkoopprijs € 3.310.750 zou zijn geweest. De Inspecteur heeft daarop het verschil ad € 2.260.750 als winstuitdeling aangemerkt en over dat bedrag vennootschapsbelasting berekend aan de belastingplichtige. De belanghebbende bestreed die correctie en stelde subsidiair dat het bedrag van de winstuitdeling in een HIR kon worden opgenomen. Het Hof oordeelde dat de overeengekomen prijzen niet zakelijk waren en dat het verschil tussen de zakelijke en de overeengekomen prijzen een uitdeling van winst was. De bevoordelingsbedoeling van de vennootschap en de vermogensverschuiving van de vennootschap naar de aandeelhouder sloten zijns inziens een herinvesteringsvoornemen uit, zodat het bedrag van de winstuitdeling niet kon worden gereserveerd. Mijn ambtgenoot Niessen concludeerde daarentegen dat het gebruik van de opbrengst voor een winstuitdeling niet uitsluit dat herinvestering in het voornemen van de uitdeler ligt, nu het nieuwe bedrijfsmiddel niet hoeft te worden gefinancierd uit de opbrengst van de vervreemding. U oordeelde:
BNB1998/232 in 4.8 hierboven). Met De Beer meen ik dat de laatste alinea van uw r.o. 2.6.3 bevestigende beantwoording van die vraag suggereert.
Herwaardering bij ontvoeging van een dochter die binnen een fiscale eenheid een activum heeft overgenomen (art. 15ai Wet Vpb)
overkillin standaardvoorwaarde 16 weggenomen door (i) bij interne verschuiving gevolgd door verkoop van de overneemster de verplichte herwaardering te beperken tot de verschoven vermogensbestanddelen en (ii) het criterium ‘ten goede komen’ te laten vervallen.
arm’s lengthcorrecties) en (ii) antimisbruikbepaling: voorkoming van omzetting van belaste boekwinst in onbelaste deelnemingsvoordelen. De eerste ratio is nieuw ten opzichte van Standaardvoorwaarde 16; de tweede is dezelfde als die van Standaardvoorwaarde 16. De genoemde nota naar aanleiding van het verslag [28] noemt de eerste ratio de belangrijkste van art. 15ai Wet Vpb. In antwoord op vragen van de PvdA- en D’66-fracties antwoordde de regering:
6.Herwaarderingswinst ex art. 15ai Wet Vpb en de HIR ex art. 3.54 Wet IB 2001
omdatde onroerende zaak aan haar is overgedragen, ofwel in 2007 (civielrechtelijk), ofwel in 2010 (fiscaalrechtelijk), of beide. Onduidelijk is voorts wat de regering bedoelde met de stelling dat reservering niet in het ‘gekozen systeem’ (van fiscale consolidatie) zou passen, maar hieronder (onderdeel 10) zal blijken dat er inderdaad systematische bezwaren binnen art. 15ai Wet Vpb bestaan tegen reservering van de herwaarderingswinst die die bepaling.
BNB2016/222) ziet in de boven geciteerde opmerkingen van de medewetgever dan ook in beginsel geen beletsel om het boven (4.10) geciteerde arrest HR
BNB2016/222 ook toe te passen op de herwaarderingswinst ex art. 15ai Wet Vpb.
Is hetTrawler-arrest relevant c.q. is de aandelentransactie op één lijn te stellen met een activumtransactie? (klacht (i))
trawler-arrest). [33]
trawlershad verkocht en de boekwinst had opgenomen in een vervangingsreserve ex art. 14 Wet Pro IB 1964. In de loop van het volgende boekjaar huurde zij een vervangende
trawlervan C BV. Later in dat boekjaar kocht zij de aandelen in C BV, die zij per begin volgend boekjaar (1 juni 1990) in een fiscale eenheid opnam. De Inspecteur stond voor het boekjaar 1989/1990 geen vervangingsreserve toe. De belastingplichtige stelde dat zij ultimo boekjaar 1989/1990 nog steeds een vervangingsvoornemen had. Het Hof verklaarde haar beroep echter ongegrond omdat volgens hem de koop van de aandelen C BV een vervangingsvoornemen van de belanghebbende per einde boekjaar 1989/1990 uitsloot: door de verkrijging van die aandelen had zij immers de uitsluitende beschikkingsmacht over het (gehuurde) schip verworven. De plv. P-G Van Soest concludeerde op het daartegen gerichte cassatieberoep:
Trawler-arrest werd de vervanging verwezenlijkt geacht doordat de vervangingsreserve-vennootschap de aandelen in de eigenaar van het vervangende bedrijfsmiddel kocht en die eigenaar in haar fiscale eenheid opnam. Na die voeging was de vervanging een feit omdat toen het vervangende bedrijfsmiddel fiscaalrechtelijk tot het vermogen van de vervangingsreserve-vennootschap ging behoren.
die ontvoegingwel degelijk -
fiscaalrechtelijk- een overdracht van vermogen is, nl. door haar (door de eenheid) aan de ontvoegde [B] BV. Inderdaad behoorde het vermogen van [B] BV, tot dier ontvoeging, fiscaalrechtelijk tot het vermogen van de belanghebbende, hoe zeer dat vermogen civielrechtelijk van [B] BV bleef.
drachtkan noemen, maar het is – fiscaalrechtelijk – in elk geval een vermogensover
gang. In dat opzicht bestaat inderdaad een overeenkomst met het
Trawler-arrest, waarin de voeging van de
trawler-dochter fiscaalrechtelijk leidde tot overgang van (onder meer) de
trawleruit het vermogen van de dochter naar dat van de moeder als eenheidsdraagster.
trawler-geval echter niet om de vraag of er een ‘vervreemding’ en een ‘opbrengst’ boven boekwaarde waren, maar om de vraag of er een ‘vervanging’ (in huidige termen: een herinvestering) was. Dat er een ‘vervreemding’ en een ‘opbrengst’ boven boekwaarde waren, stond in die zaak vast: de belanghebbende had eerder twee
trawlersmet boekwinst verkocht aan derden. Het ging in die zaak dus niet, zoals in belanghebbendes geval, om de vraag of gereserveerd kon worden (dat was überhaupt niet in geschil), maar om de vraag of de reeds bestaande reserve vrij viel of afgeboekt kon worden op de boekwaarde van de aanvankelijk gehuurde en later ‘gevoegde’
trawler. Het ging dus niet om de vorming van een reserve, maar om het einde ervan.
trawler-arrest weinig licht werpt op belanghebbendes geval. Zij heeft dat arrest mijns inziens ook niet nodig om een ‘vervreemding’ te kunnen constateren. Er is immers hoe dan ook een overdracht; ofwel in 2007 (civielrechtelijk), ofwel in 2010 (fiscaalrechtelijk), of beide. De belanghebbende beroept zich mijns inziens dan ook niet zozeer op het
trawler-arrest om een ‘overdracht’ te kunnen constateren, maar om die overdracht in 2010 te kunnen plaatsen (daarover hieronder, onderdeel 9).
aandelentransactie en (ii) de toepassing van art. 15ai Wet Vpb daarop, dat de strekking heeft de
2007-transactie alsnog te belasten. Alleen uit doelmatigheidsoverwegingen wordt bij dat laatste uitgegaan van de WEV van het intern verschoven activum ten tijde van de aandelentransactie in plaats van ten tijde van de interne overdracht minus afschrijvingen.
8.Ziet art. 15ai Wet Vpb op een ‘opbrengst’ boven boekwaarde uit ‘vervreemding’?
‘Vervreemding’?
stand alonebasis bij de vervreemding in 2007 geboekt zou hebben moeten worden, wordt vlak vóór de ontvoeging van de koopster alsnog gerealiseerd geacht en belast in 2010.
stand alonegeboekt zou hebben moeten worden.
BNB2016/222, laatste alinea van r.o. 2.6.3, en uit uw in 4.8 hierboven geciteerde arrest HR
BNB1998/232 dat ook de puur fiscaalrechtelijke ‘vervreemding’ (zoals voortvloeiend uit een onttrekking, een overbrenging naar privé of een ontvoeging) een ‘vervreemding’ c.q. ‘vervanging’/’ruil’ kan zijn in de zin van de HIR-bepalingen en de ruilarresten en dat het verschil tussen de overgangswaarde en de boekwaarde op grond van de ruilarresten en HR
BNB2016/222 afgeboekt kan worden op het vervangende bedrijfsmiddel c.q. gereserveerd kan worden. Ik leid daaruit af dat ook als de Staatssecretaris gevolgd wordt in zijn standpunt dat er in 2007 fiscaalrechtelijk niets gebeurd is, de vervreemding van de onroerende zaak door [A] BV aan [B] BV
fiscaalrechtelijkdan alsnog in 2010 heeft plaatsgevonden bij de ontvoeging van de laatste.
BNB2016/222 lijkt mij ook juist ’s Hofs conclusie dat ook de herwaarderingswinst ex art. 15ai Wet Vpb onder de term ‘opbrengst’ in art. 3.54 Wet IB 2001 kan vallen. Art. 15ai Wet Vpb betrekt immers de civielrechtelijke overdracht in 2007 alsnog in 2010 fiscaalrechtelijk in de heffing op basis van de WEV (om doelmatigheidsredenen de WEV in 2010) die hoger is dan de boekwaarde in 2007, zodat het volgens HR
BNB2016/222 ook in belanghebbendes geval “voor de hand [ligt] om ook voor het begrip ‘opbrengst’ in artikel 3.54, lid 1, Wet IB 2001 uit te gaan van die hogere waarde (…).” Dat er in 2007 fiscaalrechtelijk niets geacht werd daadwerkelijk ontvangen te zijn (omdat de transactie fiscaal onzichtbaar was) en dat de herwaardering en ontvoeging in 2010 geen daadwerkelijke ontvangst meebrengen, doet mijns inziens na HR
BNB2016/222 niet meer ter zake, nog daargelaten dat in 2007 wel daadwerkelijk iets is ontvangen: [A] BV heeft de onroerende zaak toen voor € 3 miljoen overgedragen aan [B] BV.
BNB2016/222), omdat onttrekkingen die niet in het belang van de continuïteit van de onderneming zijn en ook niet met het oog daarop geschieden, fiscaal niet gefaciliteerd hoeven te worden en ook teleologisch niet gefaciliteerd zouden moeten worden, nu fiscale afrekening, gezien de kennelijke mogelijkheid tot onttrekking, geen liquiditeitsproblemen voor de onderneming oplevert. Dat niet geheel ongegrond lijkende bezwaar tegen dat arrest is in casu echter niet relevant, nu het in casu niet om onttrekkingen of verkapte uitdelingen gaat.
9.Wélke vervreemding? (middel (ii))
BNB1980/234 [35] overwoog u dat de keuze van de belastingplichtige om ter zake van de vervreemding van een bedrijfsmiddel een HIR te vormen uiterlijk moet blijken op de eindbalans van het jaar van vervreemding. [36] U had daarbij kennelijk het oog op civielrechtelijke overdracht naar het vermogen van een ander. Zoals boven bleek, volgt mijns inziens inmiddels uit HR
BNB2016/222, laatste alinea van r.o. 2.6.3, en HR
BNB1998/232, dat ook een puur fiscaalrechtelijke vermogensovergang, zoals een sfeerovergang, onttrekking of ontvoeging, een ‘vervreemding’ in de zin van art. 3.54 Wet IB 2001 kan zijn.
BNB2016/222 vielen de civielrechtelijke vervreemding (de verkoop) en de fiscaalrechtelijke vervreemding (de onttrekking/verkapte winstuitdeling) zowel materieel als temporeel samen; in HR BNB 1998/232 (ruilarrest) was er geen civielrechtelijke vervreemding, maar alleen een fiscaalrechtelijke (overbrenging naar privé). U heeft bij die arresten denkelijk niet voorzien dat de civielrechtelijke en de fiscaalrechtelijke vervreemding, zoals in casu, jaren uit elkaar kunnen liggen, waardoor de vraag rijst wélke vervreemding fiscaalrechtelijk beslissend is, c.q. of de belastingplichtige kan kiezen.
BNB1980/234 gestelde criterium dat zij haar keuze voor een HIR uiterlijk op de eindbalans van het vervreemdingsjaar kenbaar moest maken. Er was immers in 2007 fiscaalrechtelijk noch een vervreemding, noch een eindbalans waarop die keuze kenbaar gemaakt had kunnen worden; er was toen slechts een civielrechtelijke vervreemding en fiscaalrechtelijk slechts een geconsolideerde eenheidsbalans.
BNB2014/172 (zie voetnoot 38) zou hieruit een uitweg kunnen bieden: u overwoog immers dat:
10.Het systeem van art. 15ai Wet Vpb en de wensen van de wetgever
draagsterin de beschouwing wordt betrokken, blijkt te meer dat HIR-dotatie van herwaarderingswinst ex art. 15ai niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest. Dotatie van de herwaarderingswinst aan een HIR bij ontvoeging van de overdraagster leidt ertoe dat die HIR meteen weer wordt afgeboekt op de zojuist op grond van art. 15ai(1) opgewaardeerde kostprijs van het bij de eenheid verblijvende bedrijfsmiddel, dat alsdan geacht moet worden meteen vervangen te zijn door de eenheid. Anders gezegd: de wettelijk vereiste herwaardering zou meteen weer ongedaan gemaakt worden. Dat is onverenigbaar met de uit art. 15ai Wet Vpb expliciet blijkende wens van de wetgever om bij ontvoeging van de overdraagster af te doen rekenen over de stille reserve. Gezien de wettekst en de boven geciteerde wetsgeschiedenis, acht ik het uitgesloten dat de wetgever een HIR-technisch verschil gewenst zou hebben tussen ontvoeging van de overneemster en ontvoeging van de overdraagster.