Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
Haviltex-norm als de
cao-norm van uitleg van overeenkomsten moet de litigieuze overeenkomst op basis van objectieve factoren, met name tekstueel, geïnterpreteerd worden, zonder toepassing van de
contra proferentemregel, nu het gaat om een overeenkomst waarover niet onderhandeld wordt en de contractanten bedrijven van enig omvang zijn, terwijl niet valt in te zien welke twijfel zou kunnen bestaan over de betekenis van het drie keer opgenomen expliciete beding dat de belanghebbenden “nimmer tot compensatie verplicht” zijn. Ook DNB, die op grond van de Wet op het financieel toezicht (WFT) hetzelfde civielrechtelijke begrip ‘verzekering’ ex art. 7:925(1) BW gebruikt als u doet voor de assurantiebelasting, zag geen verzekeringen: hij heeft de vergunningen van de belanghebbenden op hun verzoek ingetrokken.
Solvency IIrichtlijn), dus niet zozeer in vermijding van assurantiebelasting.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Doel
Artikel 2
3.Het geding in cassatie
junctoart. 7:925 BW Pro, art. 6:2 en Pro 6:248 BW en/of art. 8:77 Awb Pro geschonden doordat het Hof ten onrechte of onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de overeenkomsten tot deelname aan de Kwaliteitsregeling voor slachtdieren die de belanghebbenden met hun klanten aangaan ‘verzekeringen’ zijn in de zin van art. 20 Wet Pro BvR.
NJ2001, 120 (
Bicak/Aegon)
,HR
NJ2004, 349 (
Van der Linde/Heutink) en HR
NJ2006, 326 (
Winterthur/Jansen)
. [6] De tot driemaal toe overeengekomen expliciete bepaling dat géén verplichting tot compensatie bestaat, vertoont geen enkele leemte die enige aanvulling op grond van redelijkheid en billijkheid in tegengestelde richting zou kunnen velen.
Haviltex-maatstaf [7] is een overeenkomst op basis van hun Kwaliteitsregeling geen verzekering, aldus de belanghebbenden, nu er geen omstandigheden zijn die tot een andere dan taalkundige uitleg van de overeenkomst zouden nopen, en het resultaat van taalkundige uitleg van het beding dat de belanghebbenden nimmer tot compensatie verplicht zijn, is duidelijk.
verweerbestrijdt de Staatssecretaris dat de partijen het eens zouden zijn dat overeenkomsten op basis van de Kwaliteitsregeling voor de belanghebbenden geen rechtens afdwingbare verplichting tot uitkering inhouden; volgens hem heeft de Inspecteur dat niet bevestigd. De Kwaliteitsregeling heeft volgens de Staatssecretaris als doel vermogensschade van de contractant te compenseren. Dat zij mede beoogt de kwaliteit van de ter slacht aangeboden dieren te bevorderen, staat niet in de weg aan kwalificatie van deelname aan de regeling als schadeverzekering.
Haviltexnorm [8] brengt mee dat voor de belanghebbenden een door beginselen ven redelijkheid en billijkheid geregeerde verbintenis tot het doen van een of meer uitkeringen bestaat en dat die verbintenis in rechte afdwingbaar is. Ook het gegeven dat de Kwaliteitsregeling materieel de verhoudingen tussen de belanghebbenden, het slachthuis, de eventuele veehandelaar en de boer niet heeft veranderd ten opzichte van de situatie vóór 1 juli 2013, wijst er volgens de Staatssecretaris op dat het, net zo als vóór de invoering van de Kwaliteitsregeling, gaat om verzekering.
repliekbestrijden de belanghebbenden dat het doel van de Kwaliteitsregeling het compenseren van vermogensschade zou zijn. Die stelling mist feitelijke grondslag, nu het Hof heeft vastgesteld dat het doel van de Kwaliteitsregeling is ‘de verbetering van het slachtproces en dan vooral de kwaliteit van het vlees’. Een overeenkomst waarvan compensatie van vermogensschade niet het doel is, laat staan het hoofddoel, kan geen (schade)verzekering zijn. Uit het proces-verbaal van de zitting van het Hof blijkt dat de Inspecteur niet heeft betwist dat geen rechtens afdwingbare verplichting tot het doen van een uitkering bestaat. De belanghebbenden bestrijden de uitleg die de Staatssecretaris aan r.o. 4.5 van de uitspraak geeft, namelijk dat het Hof zou hebben geoordeeld dat de belanghebbenden zich met de overeenkomsten hebben verbonden tot het doen van een of meer uitkeringen.
dupliekbestrijdt de Staatssecretaris (opnieuw) dat de Inspecteur niet zou hebben betwist dat geen (rechtens afdwingbare) verbintenis tot het doen van uitkeringen bestaat. De Inspecteur heeft immers gesteld dat materieel een verplichting tot uitkering bestaat. Bovendien volgt uit het
Haviltex-arrest dat bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst alle omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen, zoals het Hof heeft gedaan.
4.‘Verzekering’ in de zin van art. 20 Wet Pro BvR
Asser/Sieburghverstaan onder een verbintenis dan ook ‘een vermogensrechtelijke betrekking tussen twee of meer personen, krachtens welke de een jegens de ander tot een prestatie gerechtigd is en deze jegens gene tot die prestatie verplicht is’. [12] Wij mogen daarom aannemen dat een verbintenis als uitgangspunt in rechte afdwingbaar is. Daarop bestaan uitzonderingen, nu de wet ook verbintenissen kent die geen volkomen rechtsbescherming genieten door het ontbreken van de bevoegdheid van de schuldeiser om rechtsdwang jegens de schuldenaar uit te oefenen: de natuurlijke verbintenissen (art. 6:3 BW Pro), [13] die kennelijk ‘natuurlijk’ heten om hen te onderscheiden van ‘juridische’ verbintenissen, die wél in rechte afdwingbaar zijn. Aan de schuldeiser uit een gewone (niet-natuurlijke) verbintenis komt dus de bevoegdheid toe zijn recht te doen erkennen en te doen gelden, door de schuldenaar die niet vrijwillig aan zijn verplichting voldoet met behulp van de overheid tot nakoming te dwingen, aldus Asser-Sieburgh. [14]
Haviltex [17] heeft uw eerste kamer de volgende instructie voor uitleg van schriftelijke overeenkomsten gegeven:
Gerritse/Hydro Agri Sluiski [18] heeft uw eerste kamer daarom naast de
Haviltexnorm een meer objectieve en meer grammaticale, althans objectieve maatstaf gesteld voor de uitleg van niet-onderhandelde overeenkomsten, die de
CAO-norm wordt genoemd:
DSM/Fox [19] heeft uw eerste kamer uitgelegd dat de
Haviltexnorm en de
CAO-norm elkaar niet tegenspreken maar twee polen van een algemeen contractsuitlegconcept vertegenwoordigen dat ik gemakshalve contextuele uitleg noem:
NJ2003, 110, is de hiervoor in 4.3 aangehaalde rechtspraak in die zin verduidelijkt dat hier sprake is van een uitleg naar objectieve maatstaven, waarbij onder meer acht kan worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. In het zojuist aangehaalde arrest is voorts nog beslist dat ook de bewoordingen van de eventueel bij de CAO behorende schriftelijke toelichting bij de uitleg van de CAO moeten worden betrokken. In een latere uitspraak (HR 28 juni 2002, nr. C01/012,
NJ2003, 111) werd geoordeeld dat, indien de bedoeling van de partijen bij de CAO naar objectieve maatstaven volgt uit de CAO-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, ook daaraan bij de uitleg betekenis kan worden toegekend.
DSM/Foxde praktijk bewust heeft gemaakt van een onderbelichte uitlegmogelijkheid die ook binnen de
Haviltexnormal bestond: de objectieve uitleg. Ook binnen de
Haviltexnormkan het aangewezen zijn een contractsbeding uit te leggen aan de hand van objectieve factoren zoals de tekst, de structuur, een openbaar kenbare toelichting en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene of de andere uitleg, zonder dat van belang is welke subjectieve bedoelingen de partijen hadden of wat zij jegens elkaar hebben verklaard (als zij al jegens elkaar hebben verklaard). Volgens Tjittes heeft uw eerste kamer na
DSM/Foxde taalkundige uitleg in vele arresten een belangrijke plaats toegekend, ook binnen de
Haviltex-formule. Zijns inziens hoort bij een redelijke uitleg uitgangspunt te zijn dat een contractsbeding de betekenis krijgt die het volgens het normale spraakgebruik heeft. [21]
Haviltex-norm. In het
Polygram-arrest overwoog uw eerste kamer: [22]
Chubb/Dagenstaedoverwoog zij over de voorwaarden van een zogenoemde beurspolis [23] dat bij de uitleg van verzekeringsvoorwaarden waarover tussen de partijen niet onderhandeld pleegt te worden de
Haviltex-normobjectief moet worden toegepast: [24]
contra-proferentemregel: bedingen in een overeenkomst van een commerciële aanbieder met een natuurlijke persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf moeten (i) duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld en (ii) bij twijfel over de betekenis ervan prevaleert de voor de consument gunstige uitleg. Of de
contra proferentem-regel ook geldt bij andere afnemers, zoals de slachthuizen die belanghebbendes clientèle vormen, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer de hoedanigheid van de afnemer en diens bedrijfsomvang van belang is. [29] Uitleg
contra proferentemdoet volgens Tjittes geen opgeld bij commerciële contracten waarbij tussen de partijen geen ongelijke machtsverhouding bestaat of waarbij beide partijen over al dan niet ingehuurde juridische deskundigheid kunnen beschikken (of die hadden moeten mobiliseren). [30] Ik maak uit het dossier op dat alle contractanten van de belanghebbenden bedrijven van enige omvang zijn.
Contra proferentemuitleg ligt dan zelfs bij twijfel over de betekenis van een beding [31] minder voor de hand, terwijl in casu niet valt in te zien welke twijfel zou kunnen bestaan over de betekenis van het drie keer opgenomen expliciete beding dat de belanghebbenden “nimmer tot compensatie verplicht” zijn (art. 3 van Pro de overeenkomst, art. 10(4) van de algemene voorwaarden en art. 2(10) van de beoordelingscriteria).
curs. PJW):
kan[[X2] NV/[X1] NV]
overwegenof contractant in aanmerking kan komen voor compensatie op basis van OMC verklaringen zoals bedoeld in de Regeling. [[X2] NV/[X1] NV] is nimmer verplicht tot compensatie.
in geen gevalin aanmerking voor compensatie zoals bedoeld in lid 1.
eventuelecompensatie zoals bedoeld in lid 1, is afhankelijk van de naleving van de voorschriften van de Regeling.
uitkeringsplichtbestaat ten gevolge van een onzeker voorval of een onzekere omstandigheid waardoor de verzekerde in zijn belangen wordt getroffen. DNB heeft op basis daarvan de vergunningen van de belanghebbenden op hun verzoek ingetrokken. De literatuur gaat ervan uit dat DNB niet snel aanneemt dat geen sprake is van ‘verzekering’ en de Wft daarom niet zou gelden. [36] In HR BNB 2014/82 (zie 4.2 hierboven) heeft u weliswaar (uiteraard) geoordeeld dat het oordeel van DNB op basis van de WFT of sprake is van ‘verzekeraar’ niet kan bepalen of assurantiebelasting verschuldigd is, maar ook de intrekking van de vergunningen door DNB strookt naadloos met de bevinding dat civielrechtelijk in casu geen sprake is van verzekeringen omdat geen rechtens afdwingbare plicht tot uitkering bestaat.
5.Zelfstandige fiscale kwalificatie?
civielrechtelijkwel degelijk beslissend hebben geacht), dan heeft hij de kwaliteitsregelingsovereenkomst dus niet civielrechtelijk, maar daarvan afwijkend fiscaalrechtelijk gekwalificeerd. Het Hof heeft met kennelijke instemming het standpunt van de fiscus weergegeven dat “juridisch” mogelijk geen verplichting tot uitkering bestaat, maar “materieel” wel degelijk, en hij heeft overwogen dat “jegens de contractant een verbintenis (is) gecreëerd waarbij laatstgenoemde mag verwachten dat, indien hij zich aan de voorwaarden van de Kwaliteitsregeling houdt en het slachtdier geen uitgesloten gebrek of ziekte heeft, zijn schade wegens ongeschikt verklaren voor menselijke consumptie wordt gecompenseerd”. Die verwachting is echter niet juridisch afdwingbaar en kwalificatie ervan als verzekering voor de assurantiebelasting wijkt dus af van het civiele recht, dat juridische verbondenheid tot uitkering eist.
2.3.6. Het hiervoor overwogene betekent dat het bij de schenking verkregene in aanmerking moet worden genomen naar de waarde van de kwijtschelding, te weten € 40.000. Waardering van de woning met toepassing van het waarderingsvoorschrift van artikel 21, lid 5, van de SW is dan niet aan de orde.”
isimmers (onderdeel van) de tot gelding te brengen fiscaalrechtelijke norm. Uw arrest in die zaak laat ook, zoals opgemerkt, zeer weinig ruimte voor fiscale afwijking van de civielrechtelijke ‘verzekerings’kwalificatie (zie uw r.o. 4.1 in onderdeel 4.2 hierboven), denkelijk inderdaad in verband met (i) de civielrechtelijke grondslag van de assurantiebelasting en (ii) de wenselijke rechtszekerheid voor contractspartijen.
Solvency IIRichtlijn van de EU, [48] die eisen stelt aan de bedrijfsvoering, de vermogensomvang en de premieomzet van verzekeraars. Het FD berichtte dat kleine verzekeraars daaraan kunnen ontsnappen door zich om te vormen tot een
discretionary mutual;een soort Onderlinge die gelden van haar leden bijeenbrengt om bepaalde risico’s op te vangen en, anders dan een verzekeraar, niet verplicht is tot uitkering. De leden hebben er alleen recht op dat hun verzoek om vergoeding van schade op redelijke wijze wordt beoordeeld. In het Verenigd Koningrijk en in het Britse Gemenebest is dit volgens de FD-auteurs een ingeburgerde rechtsvorm die voor de meest uiteenlopende risico’s wordt gebruikt. Zij schrijven dat zo’n
discretionary mutualin Nederland contractueel kan worden gevormd, buiten het toezicht van DNB en de AFM valt en niet aan bijzondere solvabiliteitseisen hoeft te voldoen omdat hij niet tot uitkering verplicht is.
6.Beoordeling van het middel
contra proferentemregel – laten mijns inziens geen andere conclusies toe dan dat (i) de belanghebbenden niet in rechte tot uitkering gedwongen kunnen worden, hoezeer wellicht ook een natuurlijke verbintenis kan zijn ontstaan, en (ii) compensatieverzoeken in het geval van faillissement van de belanghebbenden (dus) niet erkend zouden worden als concurrente vorderingen. Terugwijzing naar de feitenrechter heeft dan geen zin, mede gezien art. 29e(2) AWR.