Conclusie
eerste middelklaagt dat de verwerping door het hof van het verweer strekkende tot partiële niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk, althans ontoereikend is gemotiveerd.
Ontvankelijkheid openbaar ministerie
als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
als verklaring van [betrokkene 1] :
als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :
verdere vervolging onmogelijk zou maken(cursivering van mij, EH). Ik meen dat het hof, zij het in minder gelukkige bewoordingen, daarmee tot uitdrukking heeft willen brengen dat er geen sprake is van een uitzonderlijk geval waarin het Openbaar Ministerie op grond van schending van het vertrouwensbeginsel (partieel) niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Ook dat oordeel getuigt – mede gelet op de omstandigheid dat het hof in zijn overwegingen de juiste maatstaf heeft aangehaald – niet van een onjuiste rechtsopvatting.
enkeleomstandigheid dat door de officier van justitie nog slechts een stuk inhoudende een vordering wijziging tenlastelegging is overgelegd aan de raadsman – en nog niet aan de rechter, met een vordering dat de wijziging zal worden toegelaten (zie art. 313, eerste lid, Sv) –, geen vaste grond vormt voor een succesvol beroep op de schending van het vertrouwensbeginsel. Daar komt bij dat ook als aan art. 313 Sv Pro toepassing was gegeven, er inderdaad geen strafvorderlijke barrière zou zijn geweest om op een later moment de tenlastelegging weer ‘terug’ te wijzigen in de oorspronkelijke tekst. Om het Openbaar Ministerie nu vast te pinnen op een enkele terhandstelling van een stuk inhoudende een vordering tot wijziging van de tenlastelegging aan de raadsman, gaat mij te ver. Dan zou daarbij op zijn minst de toezegging van de officier van justitie moeten komen dat geen vervolging zal worden ingesteld. Dan pas heeft het verweer dat de verdachte op de wijziging mocht vertrouwen kans van slagen. [4] Van een mededeling in die sfeer, laat staan een toezegging, is in de onderhavige zaak echter in het geheel niet gebleken.
tweede middelklaagt dat “het hof is afgeweken van een duidelijk en gemotiveerd verweer strekkende tot bewijsuitsluiting, zonder in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid”.
Formeel verweer:
“Door zijn agressieve verbale houding en zijn uitstraling besloten wij om de man te vragen mee te komen naar een aparte ruimte om hem daar duidelijk te maken dat hem de toegang tot het feest ontzegd zou worden."(p. 8).
“Bij binnenkomst kan men gevraagd worden om mee te werken aan een visitatie. Wordt hieraan geen medewerking verleend, dan wordt op grond hiervan de toegang ontzegd."Cliënt is niet bij binnenkomst gefouilleerd, maar veel later op grond van een soort ‘vermoeden’ dat er wel eens wat aan de hand kon zijn. Daarbij komt dat de beslissing om cliënt de toegang te ontzeggen, al was genomen. Er bestond dus geen enkele noodzaak om cliënt zijn zakken te laten legen op grond van de huisregels.
2.5.1. Niet kan worden uitgesloten dat de rechter op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel komt dat een fouillering die is verricht door een daarmee belaste particulier, een zodanige schending vormt van een (belangrijk) strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel dat het resultaat daarvan niet kan meewerken tot het bewijs. Daarvan kan sprake zijn indien overheidsdienaren op enigerlei wijze direct of indirect betrokken zijn bij het gewraakte optreden van die particulier of op enige andere wijze diens gedrag hebben geïnitieerd of gefaciliteerd (vgl. HR 14 november 2006, LJNAX7471, NJ 2007/179)."
“2.5. Voorts heeft het Hof met juistheid tot uitdrukking gebracht dat niet is uitgesloten dat de rechter op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel komt dat een fouillering die is verricht door een daarmee belaste particulier, zo zeer in strijd is met het recht dat het resultaat daarvan niet kan meewerken tot het bewijs."
“agressieve verbale houding en zijn uitstraling". Hiermee is de beveiliger eigenhandig voor opsporingsambtenaar gaan spelen. De ernst van het verzuim is hiermee een feit.
Overweging met betrekking tot het bewijs
NJ2012/264 betrof het wederom de onrechtmatige fouillering door een portier. Deze portier van een horecagelegenheid waar de verdachte zich bevond. De fouillering bracht munitie en een wapen aan het licht. De zaak spitste zich toe op de directe of indirecte betrokkenheid van opsporingsambtenaren bij de gedragingen van de particulier in het licht van art. 8 EVRM Pro en is in zoverre van minder betekenis voor de onderhavige zaak. Van belang is niettemin dat de Hoge Raad het volgende overwoog: “Niet kan worden uitgesloten dat de rechter op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel komt dat een fouillering die is verricht door een daarmee belaste particulier, een zodanige schending vormt van een (belangrijk) strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel dat het resultaat daarvan niet kan meewerken tot het bewijs.”