Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
13 februari 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens het aanwezig hebben van MDMA en amfetamine. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad. Het beroep betrof onder meer een niet-ontvankelijkheidsklacht tegen het Openbaar Ministerie wegens schending van het vertrouwensbeginsel en een bewijsuitsluitingsverzoek op grond van een vermeende onrechtmatige fouillering en aanhouding door particuliere beveiligingsmedewerkers.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarom wees de Hoge Raad het beroep af en bevestigde het arrest van het gerechtshof. De uitspraak werd gedaan door de vice-president van Schendel, samen met raadsheren Buruma en van den Brink, op 13 februari 2018.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.