Conclusie
1.Feiten
het onderlinge conflict tussen de aandeelhouders en de discussie omtrent het 1e pandrecht op de bedrijfsmiddelen”, en dat deze plaatsing voor [verweerster] geen kostenverhoging heeft betekend in haar relatie tot ABN Amro.
2.Procesverloop
het onderlinge conflict tussen de aandeelhouders en de discussie omtrent het 1e pandrecht op de bedrijfsmiddelen". Daarnaast heeft zij gewezen op de brief van de advocaat van [verweerster] van 12 december 2008 aan ABN Amro, waarin hij schrijft dat [eiser] “
door te verzwijgen dat hij ten gunste van zichzelf pandrechten heeft gevestigd en door hier onjuist over te verklaren tegen de bank en thans te weigeren het eerste pandrecht van de bank onvoorwaardelijk te erkennen"de belangen van de vennootschap had geschaad. In hun aangifte van 13 februari 2009 verklaarden [betrokkene 2] en [betrokkene 1] (de bestuurders van [verweerster] ):
“Dit[eerste pandrecht, hof]
diende mede als basis voor een financiering voor ons bedrijf. (..) Om de ABN AMRO bank toch eerste pandrecht te geven zou [eiser] een zogenoemde rolwisseling moeten doen echter hieraan weigerd [eiser] mee te werken. Hierdoor gaf ABN AMRO bank aan dat zij deze niet zou accepteren waardoor de bedrijfsfinanciering werd bevroren”.
3.Cassatiemiddel, verweer en repliek
Randnummer 4bevat een weergave van de door het hof in dit verband vastgestelde feiten. Het gaat er hierbij om dat ABN Amro pas op 5 november 2007, dus pas ruim drie jaar na verlening van het pandrecht, aan [eiser] heeft gevraagd om mee te werken aan de rolwisseling van de pandrechten en ABN Amro pas op 27 november 2008 aan [verweerster] heeft laten weten dat zij wegens de discussie omtrent het eerste pandrecht “zonder kostenverhoging” onder Bijzonder Beheer was geplaatst en dat boven haar kredietlimiet geen betalingen meer gedaan zouden worden.
randnummer 6).
Randnummers 7 en 8betogen dat het hof niet tot zijn oordeel had mogen komen omdat de schade zich pas veel later heeft geopenbaard. In
randnummer 7wordt erop gewezen dat, naar blijkt uit een brief van de advocaat van [verweerster] , [eiser] pas in december 2008 geweigerd heeft mee te werken aan rolwisseling (
randnummer 7). Ook heeft het hof vastgesteld dat de gestelde schade zich niet direct heeft geopenbaard (rov. 3.6.4.), maar pas echt actueel werd in september 2008, toen ABN Amro de behandeling van de lopende financiering van [verweerster] verplaatste naar Bijzonder Beheer (
randnummer 8).
Compendium Ondernemingsrechtvan Assink/Slagter wordt aangehaald. [7] [eiser] betoogt dat in de genoemde paragraaf uit dat boek een opvatting zoals deze niet valt te lezen, en dat daarin met name niets concreets staat over uiteenlopende (sub)maatstaven of gezichtspunten ter zake van voorzienbaarheid van schade bij interne dan wel externe bestuurdersaansprakelijkheid. [eiser] citeert daartoe een passage uit de betreffende paragraaf (randnummer 3), waaruit zou blijken dat de Hoge Raad een geïntegreerde benadering heeft ontwikkeld, en dat niet valt in te zien waarom in deze geïntegreerde benadering de voorzienbaarheid van schade voor interne bestuurdersaansprakelijkheid geen vereiste zou zijn. Genoemd
Compendium, aldus [eiser] , benadrukt dat zulke voorzienbaarheid ‘een onvermijdelijk element is van de bestuurlijke beleidsvrijheid, waarzonder ondernemen onmogelijk zou worden’ (randnummer 4).
4.Uitgangspunten bij bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 2:9 en Pro 6:162 BW
Staleman/Van de Venuit 1997. [11] Hoewel de feiten in de onderhavige zaak zijn voorgevallen vóór bedoelde wijziging per 1 januari 2013 van art. 2:9 BW Pro, maakt dit voor de aan te leggen maatstaf dus niet uit.
Staleman/Van de Ven [12] in rov. 3.3.1 als volgt:
Staleman/Van de Venkomt voorzienbaarheid van schade als zodanig niet terug. Uw Raad heeft dus niet als algemeen geldend uitgangspunt aanvaard dat dat van een ernstig verwijt in de zin van art. 2:9 BW Pro pas sprake is wanneer de schade van de vennootschap voorzienbaar was. Ook heeft Uw Raad in het arrest
Schwandt/Berghuizer Papierfabriek, weliswaar in een ander type geval dan het hier aan de orde zijnde, geoordeeld dat handelen in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen een ernstig verwijt en daarmee aansprakelijkheid oplevert, zonder daarbij de eis te stellen dat de vennootschap voorzienbaar schade zou lijden. [13] Dat voorzienbare benadeling van de vennootschap niet in algemene zin een noodzakelijke voorwaarde is voor aansprakelijkheid van de bestuurder op grond van art. 2:9 BW Pro is ook in de literatuur gesignaleerd. [14] Overigens is hiermee niet gezegd dat (het ontbreken van) voorzienbaarheid van schade geen rol kan spelen in de beoordeling van de aansprakelijkheid van de bestuurder ex art. 2:9 BW Pro. [15]
. [16] Voorkomen dient te worden dat het bestuurshandelen als onbehoorlijk wordt aangemerkt, omdat dit naar later bleek nadelige gevolgen had die met ‘wijsheid achteraf’ onvermijdelijk leken, terwijl deze gevolgen op het moment van handelen niet konden of behoefden te worden voorzien (de zogenoemde
hindsight bias). [17]
persoonlijkeen ernstig verwijt treft. Hierbij dient te worden benadrukt dat de bestuurder
naastde vennootschap aansprakelijk kan worden gehouden. Het bijzondere karakter van deze extra verhaalsmogelijkheid verklaart dat aan persoonlijke aansprakelijkheid strenge eisen worden gesteld.
Ontvanger/Roelofsen.In die zaak stelde de Ontvanger van de Belastingdienst de bestuurder van twee vennootschappen persoonlijk aansprakelijk voor schade als gevolg van het niet voldoen van een belastingschuld door deze vennootschappen. Uw Raad stelde bij de beoordeling het volgende voorop:
Ontvanger/Roelofsenverduidelijkt welke rol het ernstig verwijt-criterium in beide typen gevallen speelt.
Beklamel-arrest [23] ontwikkelde maatstaf:
RCI Financial Servicesheeft Uw Raad dit nog eens benadrukt. In de zaak die leidde tot dit arrest had een bestuurder een tweede pandrecht verstrekt aan een financier (RCI) waar een eerste pandrecht toegezegd was. RCI stelde de bestuurder aansprakelijk voor de voorzienbare schade die zij zou lijden, doordat zij een slechtere zekerheidspositie had gekregen dan was overeengekomen. Uw Raad oordeelde dienaangaande als volgt:
5.Bespreking van het cassatiemiddel
RCI-arrest van Uw Raad (hiervoor besproken in 4.13 e.v.). In randnummers 9-10 wordt in meer algemene zin verdedigd dat van een ernstig verwijt in de zin van art. 2:9 BW Pro pas sprake kan zijn als ten tijde van de gewraakte handeling voorzienbaar is dat de vennootschap als gevolg daarvan schade zal lijden. In randnummers 3, 6 en 11 voegt [eiser] daaraan toe dat de door het hof vastgestelde (in randnummer 4 van het cassatiemiddel weergegeven) feiten onvoldoende zijn om aan te nemen dat de bedoelde schade voorzienbaar was in de zin van genoemd arrest.
Staleman/Van de Ven(hiervoor besproken in 4.5-4.6) dat aan de hand van alle omstandigheden van het geval dient te worden beoordeeld of sprake is voor een ernstig verwijt als hier bedoeld. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren volgens Uw Raad onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico's, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult. Uw Raad heeft dus niet als algemeen uitgangspunt aanvaard dat van een ernstig verwijt in de zin van art. 2:9 BW Pro pas sprake is wanneer de schade van de vennootschap voorzienbaar was.
RCI Financial Servicesin de context van art. 6:162 BW Pro dat de bestuurder pas persoonlijk aansprakelijk is jegens een derde voor het aangaan van een verplichting namens een vennootschap, waarvan hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de vennootschap deze niet zou kunnen nakomen, indien de bestuurder wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser als gevolg van het niet nakomen van de verplichting schade zou lijden.
RCI Financial Services. In die zaak werd aangevoerd dat de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kon worden gemaakt, omdat de toezegging die hij had gedaan dat de schuldeiser een eerste pandrecht zou worden verleend, niet kon worden nagekomen, nu reeds een ouder pandrecht bestond. [31] In de onderhavige zaak is echter (anders dan het middel in randnummer 5 doet voorkomen) geen sprake van een toezegging dat een pandrecht zal worden verleend (en die vervolgens niet kan worden nagekomen), maar van een situatie waarin in de pandakte in strijd met de waarheid is verklaard dat het daarmee te vestigen pandrecht eerste in rang is.
RCI Financial Servicesbestreken. [eiser] zoekt juist aansluiting bij dat arrest. [32] Dat kan hem dus niet baten.
hind sight bias. Hoewel een oordeel gebaseerd op ‘wijsheid achteraf’ inderdaad moet worden voorkomen (hiervoor 4.7), zijn ook deze klachten vergeefs voorgesteld. De aansprakelijkheid is immers, zo volgt uit ’s hofs arrest, gegrond op de omstandigheid dat [eiser] een verklaring over de zekerheidspositie heeft afgelegd die (reeds) op dat moment, naar [eiser] wist althans behoorde te weten, in strijd was met de waarheid (rov. 3.6.1). Voor de beoordeling van de aansprakelijkheidsvraag is onder die omstandigheden niet van betekenis op welk moment de hieruit voortvloeiende schade, die op zichzelf overigens voor de hand ligt, zich heeft geopenbaard of gematerialiseerd.