Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof het verzoek van de raadsman van de verdachte om [betrokkene 1] op de terechtzitting in hoger beroep als getuige te horen, heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen.
NJ2016/141 aangevoerd dat de motivering die het hof ten grondslag heeft gelegd aan de afwijzing van het getuigenverzoek, inhoudende dat door de verdediging geen nieuwe omstandigheden zijn aangevoerd die een nader verhoor rechtvaardigen, onbegrijpelijk is.
tweede middelbevat de klacht dat het hof in de zaak met parketnummer 18/730226-13 ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit ten onrechte gebruik heeft gemaakt van een onderdeel van een verklaring van [betrokkene 1] , omdat dit onderdeel niet redengevend kan worden geacht voor het bewijs dat de verdachte opzet heeft gehad op het bewezen verklaarde onttrekken aan het opzicht van degene die het gezag over [betrokkene 1] uitoefende.
derde middelbehelst de klacht dat het hof in de zaak met parketnummer 18/730226-13 ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit niet heeft beraadslaagd en beslist op de grondslag van de tenlastelegging, aangezien het hof niet bewezen heeft verklaard dat de verdachte het minderjarige meisje heeft verborgen of aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie heeft onttrokken.
vierde middelbevat de klacht dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.