Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 2richt in drie subonderdelen klachten tegen het oordeel dat de vordering van Irak c.s. dient te worden afgewezen voor zover het grond (ii) betreft (rov. 2.6).
.Deze zaak is op die roldatum aangebracht [22] .
subonderdeel 1.1wordt geklaagd dat de oordeelsvorming van het hof in de rechtsoverwegingen 2.4 en 2.5 onjuist is omdat het hof ten onrechte de mogelijkheid aanvaardt dat het door hem bij verstek gewezen arrest van 31 oktober 2000 inhoudelijk inderdaad op bedrog berust omdat uitsluitend de formeel-technische beperking van drie maanden voor herroeping die het Nederlandse procesrecht stelt, de grondslag vormt voor de bestreden beslissing van het hof. Betoogd wordt dat als gevolg van de beslissing van het hof om de vordering tot herroeping niet-ontvankelijk te verklaren, er geen enkele inhoudelijke beoordeling op tegenspraak van de toegewezen vordering (in het arrest van 31 oktober 2000) kan of zal plaatsvinden.
subonderdeel 1.4af, dat in het verlengde van de subonderdelen 1.2 en 1.3 betoogt dat het hof ambtshalve had dienen te onderzoeken of de immuniteit van jurisdictie van Irak zich niet verzet tegen zijn oordeel omdat, wanneer er met het hof van dient te worden uitgegaan dat niet Iraqi Ports maar Irak c.s. de schuldenaren zijn van [verweerster], daarmee tevens vaststaat dat het hof in zijn arrest van 31 oktober 2000 ten onrechte heeft nagelaten ambtshalve te onderzoeken of Irak c.s. zich op immuniteit van jurisdictie konden beroepen [30] .
subonderdeel 1.5wordt betoogd dat voor zover het hof in zijn oordeel (in rechtsoverweging 2.5) mocht hebben verdisconteerd dat zijn verstekarrest onaantastbaar is ondanks het mogelijk ontbreken van een geldige grondslag voor zijn internationale rechtsmacht of ondanks zijn onbevoegdheid wegens de immuniteit van jurisdictie van Irak c.s. omdat het verstrijken van de termijn in art. 383 lid Pro Rv elke verdere discussie uitsluit, dit oordeel rechtens onjuist is omdat het miskent dat nationale wetgeving niet, althans niet louter op formeel-technische gronden de effectieve nakoming van volkenrechtelijke verplichtingen mag belemmeren.
subonderdelen 2.2 en 2.3klagen dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk, zijn beoordeling van grond (ii) in rechtsoverweging 2.6 heeft beperkt tot het argument dat [verweerster] bedrog heeft gepleegd omdat zij heeft verzwegen dat de vorderingen waren verjaard. Betoogd wordt dat het hof (subonderdeel 2.2) de algehele proceshouding van [verweerster] in zijn beoordeling had dienen te betrekken, waaronder het feit dat [verweerster] destijds Irak c.s. bewust openbaar hebben gedagvaard wetende dat deze dagvaardingen de geadresseerden nooit zouden bereiken vanwege de politieke situatie, alsmede (subonderdeel 2.3) de intentie van [verweerster] zoals die naar voren komt in de wijze waarop gebruik is gemaakt van de procesvoorschriften.