ECLI:NL:HR:2016:2832

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 december 2016
Publicatiedatum
8 december 2016
Zaaknummer
15/03972
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 126 lid 3 Rv (oud)Art. 382 e.v. Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt immuniteit buitenlandse staat in civiele procedure tegen Irak

In deze zaak stond de vraag centraal of de Nederlandse rechter rechtsmacht had in een civiele procedure tegen de Republiek Irak en de Central Bank of Iraq. De procedure betrof een verstekvonnis en een latere procedure tot herroeping. De eisers, Irak c.s., voerden beroep in cassatie aan tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 10 maart 2015.

De Hoge Raad verwees naar eerdere uitspraken in de procedure en concludeerde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering was nadere motivering niet nodig omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en veroordeelde Irak c.s. in de kosten van het geding, waarbij de kosten aan de zijde van de verweerster nihil werden vastgesteld. Hiermee werd de immuniteit van de buitenlandse staat bevestigd en werd de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in deze zaak verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de immuniteit van Irak in de civiele procedure.

Uitspraak

9 december 2016
Eerste Kamer
15/03972
EE/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. De internationaal publiekrechtelijke rechtspersoon de REPUBLIEK IRAK,
zetelende te Bagdad, Irak,
2. de vennootschap naar het recht van Irak CENTRAL BANK OF IRAQ,
gevestigd te Bagdad, Irak,
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. G.R. den Dekker,
t e g e n
[verweerster] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Irak c.s. en [verweerster] .

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 26804/HA ZA 99-2160 van de rechtbank Dordrecht van 28 april 1999;
b. het arrest in de zaak 99/1258 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 31 oktober 2000;
c. het arrest in de zaak 200.133.720/01 van het gerechtshof Den Haag van 10 maart 2015.
Het arrest van het hof van 10 maart 2015 is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben Irak c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerster] is verstek verleend.
De zaak is voor Irak c.s. toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van Irak c.s. heeft bij brief van 4 oktober 2016 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Irak c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, G. de Groot, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president E.J. Numann op
9 december 2016.