In deze zaak vordert eiser de stopzetting van de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf die volgens hem het wettelijk maximum overschrijdt. Eiser was veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig jaren wegens medeplegen van moord en andere ernstige feiten, terwijl hij eerder al een straf van zes jaren had opgelegd gekregen voor andere feiten. Hij stelt dat de cumulatie van straffen het wettelijk maximum van twintig jaren overschrijdt.
De rechtbank en het gerechtshof hebben de tenuitvoerlegging van het vonnis bevestigd, verwijzend naar het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken en het ontbreken van een wettelijke grond om de executie te staken. Eiser had hoger beroep ingetrokken, waardoor het vonnis onherroepelijk werd. De Hoge Raad bevestigt deze lijn en wijst erop dat alleen een wettelijke uitzondering, zoals een gratiebesluit, tot staking van de executie kan leiden.
De Hoge Raad bespreekt ook de mogelijkheid van een uitzondering op grond van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) indien sprake zou zijn van een onrechtmatige of oneerlijke behandeling, maar constateert dat die situatie hier niet aan de orde is. Ook het beroep op misbruik van bevoegdheid en algemene beginselen van behoorlijk bestuur faalt. De conclusie is dat de tenuitvoerlegging van het onherroepelijke vonnis niet onrechtmatig is, ondanks de misslag in het vonnis betreffende het strafmaximum.