Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten
3.Procesverloop
4.Bespreking van het cassatiemiddel
ex nunc-toetsing. Ook omstandigheden die zijn opgekomen na het vonnis houdende faillietverklaring kunnen door de appelrechter worden meegewogen. [13] Ten aanzien van [eiseres] is in appel vastgesteld dat de door de rechtbank uitsproken faillietverklaring niet in stand kan blijven.
NJ1941/431 niet op gaat, is echter niet meteen duidelijk. Wachter is in zijn annotatie dan ook kritisch. Hij schetst een tweetal opties:
NJ1982/13 én bij art. 424 Rv Pro waaruit immers blijkt dat de behandeling van de zaak na verwijzing wordt
voortgezet. Tegelijkertijd, maar ook dat bevestigt eerder de juistheid van de tweede optie, maakt Uw Raad de inhoudelijke beslissing over de kosten afhankelijk van de uitkomst na verwijzing. Dat Uw Raad toch voor de eerste optie heeft gekozen, zou verklaard kunnen worden door art. 15 lid 3 Fw Pro, welk artikellid niet uitdrukkelijk ziet op vernietiging van de faillietverklaring in cassatie met verwijzing. Art. 15 lid 3 Fw Pro is blijkens de toelichting geschreven voor situaties waarin sprake is van ‘definitieve vernietiging van een uitgesproken faillissement’. [21] Daarom was het beter geweest de lacune, volgens annotator Wachter, als volgt op te vullen: de rechter naar wie wordt verwezen handelt conform art. 15 lid 3 Fw Pro wanneer het faillissement tenminste uit de wereld geholpen wordt. Het arrest van Uw Raad van 22 oktober 1940,
NJ1941/431 zou niet met het door Wachter betoogde in strijd zijn omdat de feitenconstellatie geheel anders is.
middelonderdeel 2.1voorgelegde vraag of het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de beschikkingshandelingen van de curator na de vernietiging, maar voordat deze vernietiging in kracht van gewijsde is gegaan, op voet van art. 13 Fw Pro hebben te gelden als rechtsgeldige, als waren zij van de schuldenaar afkomstige, beschikkingshandelingen. Mij dunkt dat het hof door aldus te oordelen niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Zowel in de wet (art. 13 en Pro 15 Fw), de wetsgeschiedenis, de literatuur als de jurisprudentie van Uw Raad wordt duidelijk naar voren gebracht dat het moment waarop de handelingen van de curator niet meer aan de schuldenaar kunnen worden tegengeworpen, het moment is waarop de vernietiging van de faillietverklaring kracht van gewijsde verkrijgt.