Conclusie
1.Feitenen procesverloop
2.Bespreking van het cassatieberoep
ex nunc [9] .
onderdeel I.2wordt bestreden, bouwt voort op het door het hof gehanteerde onjuiste uitgangspunt en is evenzeer onjuist, zodat ook onderdeel I.2 terecht is voorgesteld.
nader debat over het desbetreffende geschilpuntof dat partijen een extra instantie moet worden bespaard, omdat
onaannemelijk is dat een debat na verwijzing nieuwe gezichtspunten zal opleveren [19] . Mij lijkt nader debat noodzakelijk over dit geschilpunt, zodat verwijzing voor de hand ligt.
onderdeel II.4betreft het door [verzoekster] mogelijk zijn aangegaan van nieuwe leningen om de steunvorderingen te voldoen.
ex nunc) vernietigd moet worden en dat aldus überhaupt niet toegekomen wordt aan de paritas-problematiek. Verder voert het onderdeel aan (tweede deelklacht) dat het oordeel ook onjuist, althans onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, voor zover het betreft betalingen door derden en kwijtscheldingen door schuldeisers van [verzoekster]. Immers valt niet, laat staan zonder meer, in te zien dat sprake zou zijn van een handelwijze van [verzoekster], die niet zelf degene is die betaald heeft, aldus deze klacht. Het onderdeel klaagt ook dat niet (zonder meer) valt in te zien waarom de failliet verklaarde en/of derden niet de vrijheid zouden hebben om te bewerkstelligen dat er (alsnog) geen reden meer is voor faillietverklaring respectievelijk de bekrachtiging daarvan. Het oordeel van het hof dat de handelwijze van [verzoekster] “dus” niet toelaatbaar zou zijn is volgens het onderdeel ten slotte ook onjuist en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
van [verzoekster]niet in haar voordeel zou mogen strekken, eveneens onjuist, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is.
in fine(dat de ontoelaatbare handelwijze van [verzoekster] niet tot haar voordeel mag strekken) ook daarom onjuist en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd in het licht van de twee daaraan voorafgaande passages uit rov. 3.5.6. Die passages zijn i) dat [verzoekster] weliswaar stelt dat de betalingen zijn verricht door derden en er sprake is van giften, maar dat deze stelling in het geheel niet is onderbouwd met enig verificatoir bescheid en ii) dat niet is uitgesloten dat [verzoekster] leningen is aangegaan ter betaling van de steunvorderingen, terwijl een in staat van faillissement verkerende schuldenaar geen zeggenschap meer heeft over zijn vermogen. Deze klacht wordt weer verder uitgewerkt in de
onderdelen II.4.a en II.4.b.
Onderdeel II.4.abevat twee deelklachten. De eerste klaagt dat het hof met zijn passage onder i), heeft miskend dat überhaupt niet vast hoeft komen te staan dat derden enige gift (aan [verzoekster]) gedaan zouden hebben. Voldoende is immers dat er geen sprake (meer) is van een steunvordering, en een verbintenis kan nu eenmaal door een derde nagekomen worden zonder dat de derde daarmee een gift doet of beoogt te doen aan de betreffende schuldenaar. Een schenkingsovereenkomst gesloten tussen de derde en degene wiens schuld het betreft is niet vereist. Verder klaagt het onderdeel (tweede deelklacht) dat voor zover “deze stelling” uit de passage onder i) betrekking heeft op “betalingen verricht door derden”, dat oordeel onbegrijpelijk of onvoldoende (toereikend) is gemotiveerd in het licht van de pleitnotitie van mr. Stevens in hoger beroep. In die pleitnotitie, onder 10-19, in het bijzonder onder 12-15, wordt volgens het onderdeel onder “Pluraliteit/toestand opgehouden te betalen” nu juist aan de hand van een aantal producties - en dus gedocumenteerd - ten aanzien van verscheidene vorderingen/crediteuren gesteld dat tegen finale kwijting is betaald door derden. Na het weergeven van de crediteuren die staan vermeld in het verslag van de curator (onder 11), wordt aan de hand van een of meer producties (1-8) per afzonderlijke crediteur/vordering uiteengezet dat en hoe (onder andere door wie) de vorderingen van deze in dat verslag vermelde crediteuren voldaan zijn.
onderdeel II.2stel ik voorop dat art. 4 lid 5 Fw Pro bepaalt dat het vonnis tot faillietverklaring bij voorraad op de minuut uitvoerbaar is niettegenstaande enige daartegen gerichte voorziening. Uitvoerbaar bij voorraad op de minuut houdt verband met de omstandigheid dat een faillissement, waardoor de schuldenaar het beheer en de beschikking over zijn vermogen verliest, meteen na de uitspraak werking behoort te hebben, ook al is op dat moment de grosse nog niet beschikbaar [23] . De faillissementstoestand, waarbij de
paritas creditorum(3:277 lid 1 BW) in acht moet worden genomen, treedt met het uitspreken van het faillissement in [24] en blijft ook bestaan na het instellen van een rechtsmiddel. Die rechtstoestand duurt voort (en de paritas moet onverminderd in acht worden genomen) totdat die beslissing is vernietigd en in kracht van gewijsde is gegaan [25] . De failliet blijft echter eigenaar van het vermogen en als rechtssubject handelingsbevoegd en bekwaam om rechtshandelingen aan te gaan [26] . Hij blijft dus persoonlijk volkomen rechtsbevoegd [27] al is het beheer en de beschikking over zijn in gerechtelijk beslag genomen vermogen hem tijdens zijn faillissement ontnomen [28] . Na de faillietverklaring kunnen vorderingen van schuldeisers dan ook slechts door derden worden voldaan. De eerste deelklacht van o
nderdeel II.2stuit daar op af.
ex nunc). Bij toetsing van de pluraliteit door de appelrechter moet hij rekening houden met feiten die in eerste aanleg niet ter kennis van de rechter zijn gebracht, en met feiten die na de eerdere behandeling zijn voorgevallen [29] . De appelrechter mag ook rekening houden met een door een derde verrichte betaling van een schuld uit een vordering van een schuldeiser [30] . Verder mag de appelrechter mijns inziens op grond van die hernieuwde beoordeling van het verzoek tot faillietverklaring ook rekening houden met na de aanvankelijke faillietverklaring door de failliet aangegane nieuwe schulden.
onderdeel II.2tegen de overweging dat de handelwijze van [verzoekster] ontoelaatbaar is, slagen.
onderdeel II.3, dat ook onjuist of onbegrijpelijk is dat de ontoelaatbare handelwijze van [verzoekster] haar niet ten voordeel mag strekken, borduurt voort op het (in dit geval: gedeeltelijk) slagen van onderdeel (II.1 en) II.2 en slaagt dan in zoverre ook.
nietdat deze betalingen moeten worden aangemerkt als
giften. Omdat [verzoekster] zelf aangaf dat het giften betrof, die zij op grond van een natuurlijke verbintenis zo snel mogelijk wenste “af te betalen”, is de aarzeling van het hof op dit punt niet onbegrijpelijk. Het hof kon op zichzelf de kwalificatie van de betalingen door derden (gift of lening) in aanmerking nemen, nu door die betalingen nieuwe schulden zouden kunnen zijn ontstaan - en dus nieuwe steunvorderingen.
ex nunc-)beoordeling van de faillissementstoestand ook rekening mag houden met nieuwe feiten, waaronder nieuwe schulden, en dat het bestaan van nieuwe schulden/steunvorderingen, naast de schuld aan Unitco, maakt dat aan het pluraliteitsvereiste wordt voldaan.
onderdeel II.4.bis wel terecht voorgesteld. Voor zover in het oordeel van het hof dat het niet kan uitsluiten dat aan de betalingen door derden van de steunvorderingen geldleningen ten grondslag liggen, ligt besloten dat daarmee - naast de vordering van Unitco - is voldaan aan het pluraliteitsvereiste, geeft zijn oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft daarmee miskend dat hij heeft te beoordelen of de steunvordering(en), in dit geval de geldlening(en), summierlijk zijn gebleken. Voor zover het hof wel de juiste maatstaf heeft toegepast, is zijn oordeel, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.