Conclusie
1.Feiten en procesverloop
onderdeel 3ingetrokken, nadat partijen daarover een minnelijke regeling hadden bereikt. Dat middelonderdeel blijft verder onbesproken [5] . De man heeft in cassatie verweer gevoerd.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
toelichting op deze klachtkunnen de aanspraken van de man, zelfs wanneer zij oorspronkelijk − in de beëindigingsovereenkomst met zijn werkgever − het karakter hadden van vervanging van toekomstig inkomen dat de man bij veronderstelde voortzetting van het dienstverband zou hebben genoten, deze aard niet (meer) hebben nadat het geld eenmaal is ingebracht in een stamrecht B.V. Nadat de stamrecht B.V. de verplichting tot periodieke uitkering heeft overgenomen van de gewezen werkgever, kan de gerechtigde (hier: de man) zelf bepalen wanneer welk bedrag wordt uitgekeerd. De oorspronkelijke bestemming van de aanspraken is daarmee losgelaten. Met andere woorden: uit de aard der zaak wordt bij een stamrecht B.V., zoals in casu, geen onderscheid (meer) gemaakt tussen aanspraken die zien op de periode vóór ontbinding van de gemeenschap en aanspraken die zien op de periode na ontbinding. Juist dat onderscheid was voor de Hoge Raad in de (hierna te bespreken) beschikking van 17 oktober 2008 reden om in dat geval tot een gedeeltelijke verknochtheid te besluiten, aldus de vrouw (cassatierekest punt 2.29).
ten hoogstehet bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd en (ii) dat niet beslissend is welke uitkeringen tijdens het bestaan van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen zijn gedaan, maar: welke aanspraken de begunstigde (hier: de man) tijdens het bestaan van de huwelijksgoederengemeenschap geldend had kunnen maken ter compensatie van het verlies aan arbeidsinkomen.
sowiesoniet worden aangemerkt als vervanging van inkomen uit arbeid. Aanspraken op die uitkeringen kunnen dus niet
op die grondverknocht zijn aan de man [9] . Ad (ii): de man is in staat in overeenstemming met de stamrecht B.V., waarvan hij aandeelhouder en bestuurder is, te bepalen welk deel van de ontslagvergoeding in de gemeenschap van goederen van partijen valt. Door ervoor te kiezen geen uitkeringen te doen, kan de man de volledige ontslagvergoeding buiten de gemeenschap laten vallen. Een dergelijke uitkomst is in strijd met het goederenrechtelijke karakter van de gemeenschap van goederen. Volgens de vrouw had het hof, om te kunnen bepalen welk gedeelte van de aanspraken aan de man verknocht is, de aanspraken van de man jegens de stamrecht B.V. moeten ‘omrekenen’ naar (veronderstelde) vaste periodieke uitkeringen. Het bezwaar klemt volgens de vrouw temeer, nu tussen partijen vaststaat dat de man na zijn ontslag (maar vóór de datum van ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap) in werkelijkheid minder inkomen heeft gegenereerd dan voorheen. Het nadeel ter compensatie waarvan de ontslagvergoeding is verstrekt heeft zich dus gedurende het huwelijk werkelijk voorgedaan en is ten laste gekomen van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen in het tijdvak tot de datum van ontbinding van het huwelijk. Slechts voor zover een ontslagvergoeding zou zien op compensatie van schade die de goederengemeenschap
nietlijdt of heeft geleden, zou dat gedeelte van de ontslagvergoeding onder omstandigheden kunnen worden beschouwd als aan de man verknocht [10] . Tot zover de klachten.
als gevolg van een ongeval(uitgekeerd in de vorm van een bedrag ineens), dat deze niet reeds op basis van het feit dat de vergoeding naar haar aard uitsluitend is afgestemd op de aan de persoon verbonden nadelige gevolgen van het ongeval, buiten de huwelijksgoederengemeenschap valt. Steeds behoren de omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen. Daarbij achtte de Hoge Raad met name van belang of de vergoeding betrekking heeft op schade die de betrokkene als gevolg van het ongeval in de toekomst in de periode
na de ontbinding van de gemeenschapzal lijden, zoals toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen [12] .
als zodanig,verknocht is aan de ontslagen echtgenoot voor zover zij strekt tot vervanging van toekomstig inkomen uit arbeid dat deze echtgenoot in de periode na de datum van ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap zou hebben genoten bij een − veronderstelde − voortzetting van zijn dienstbetrekking [13] . Dat lees ik in de beschikking van 17 oktober 2008 niet [14] . De Hoge Raad stelde in die beschikking een (in één keer uitbetaalde) ontslaguitkering tegenover de vaste aanspraken van de echtgenoot jegens een verzekeringmaatschappij. Door mij geparafraseerd: de aard van de vergoeding was niet wezenlijk gewijzigd door het feit dat het geld is ondergebracht bij die verzekeringmaatschappij: gemeten naar de bestemming, het bedrag en het tijdstip van uitbetaling van de uitkeringen was sprake van vervanging van inkomen uit arbeid. Dat wil niet zeggen dat dit ook geldt ingeval de vergoeding is gestort in een stamrecht B.V. Dat is – als ik het goed zie − nog een open vraag. Verscheidene auteurs hebben deze vraag negatief of geclausuleerd beantwoord [15] . De inhoud van de stamrecht overeenkomst speelt hierbij een rol. De rechtspraak na 17 oktober 2008 is onvermijdelijk casuïstisch, maar lijkt op dit specifieke punt verdeeld. In het cassatierekest is hiervan ook melding gemaakt. Er zijn uitspraken waarin verknochtheid werd aangenomen, onder verwijzing naar de beschikking van de Hoge Raad van 17 oktober 2008 [16] . Daartegenover staat een drietal uitspraken van het gerechtshof Amsterdam, die meer in lijn liggen met de rechtsopvatting die in het huidige cassatiemiddel wordt verdedigd, te weten: dat de omstandigheid dat de begunstigde echtgenoot kan beïnvloeden of de aanspraken wel of niet tot uitkering komen gedurende het bestaan van de huwelijksgoederengemeenschap, in de weg staat aan het aannemen van verknochtheid [17] .
mogelijkheidvoor de man om, in overeenstemming met de stamrecht-vennootschap, de tijdstippen en hoogte van de bedongen uitkeringen te bepalen. Als de man van die mogelijkheid geen gebruik maakt, is nauwelijks een verschil te ontdekken met de in de beschikking van 17 oktober 2008 bedoelde situatie waarbij de tijdstippen en de hoogte van de uitkeringen (daar: bij een externe verzekeraar) vastliggen. Het verweerschrift in cassatie wijst daar op.
feitelijkzijn uitbetaald vóór de datum waarop de goederengemeenschap werd ontbonden. Voor de aanspraken die zien op de periode vóór de ontbinding, en waarvan de waarde in ieder geval niet meer bedraagt dan de som van de in die periode verschuldigde uitkeringen, geldt dat zij, evenals ontvangen loon, in de gemeenschap vallen. Indien de man had kunnen blijven doorwerken bij zijn werkgever, zou hij hebben ervaren dat zijn recht op loon in de huwelijksgoederengemeenschap valt. Dan valt, zonder nadere motivering, ook niet in te zien waarom een recht op vergoeding van gederfde toekomstige inkomsten over een tijdvak waarin de huwelijksgoederengemeenschap nog bestaat, niet tot de baten van de gemeenschap zou behoren.