Conclusie
Stichting Ymere,verweerster in cassatie,
Inleiding
Beoordeling van het cassatieberoep
daadwerkelijkewinst c.q. het daadwerkelijk genoten financieel voordeel. Het is rechtens onjuist om onder de genoten winst van art. 6:104 BW Pro ook
fictiefvoordeel te begrijpen, zoals in dit geval doordat het gebruik van een sociale huurwoning als praktijkruimte fictief voordeel zou hebben opgeleverd, vergeleken met de al even fictieve situatie waarin [eiser] een/de praktijkruimte tegen de daarvoor geldende (markt)huurprijs zou hebben gehuurd. Deze situatie wordt niet door art. 6:104 BW Pro bestreken, aldus het middel.
NJ2015/32 (Doerga/Ymere) betrof een geval van contractueel verboden onderverhuur van woonruimte. Het arrest dat is gepubliceerd als
NJ2015/33 (Setel/AVR) betrof een procedure die in feitelijke instanties is gevoerd op de toenmalige Nederlandse Antillen en had inhoudelijk betrekking op een onrechtmatig handelen, waarbij de schade is begroot op de voet van art. 6:104 BWNA Pro (dat gelijkluidend is aan art. 6:104 BW Pro).
LJNZC1202,
NJ1995/421 en HR 16 juni 2006, nr. C04/327,
LJNAU8940,
NJ2006/585.)” [16]