Conclusie
Dagvaarding I- 1. “een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl dat feit wordt begaan door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd”; - 3. “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, WvS, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”; - 4. “diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd”; - 7. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II”; - 11. “oplichting”;
Dagvaarding II“opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven”.
eerste middelklaagt dat het hof de beslissing tot afwijzing van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak ontoereikend met redenen heeft omkleed, en aldus dit aanhoudingsverzoek ten onrechte heeft verworpen en daarmee het recht op verdediging en het recht op een eerlijke behandeling van de zaak heeft geschonden.
“Verzoeken van de raadsman van de verdachte
Niethoudt het middel in dat het aanwezigheidsrecht van de verdachte is geschonden. Ik stip dit aan omdat in de schriftuur (ook) wordt opgemerkt dat de verdachte (deze keer) te ziek zou zijn geweest om te verschijnen, en dat is dus iets anders dan wat de raadsman blijkens het hierboven weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting van 22 september 2015 als reden heeft opgegeven. Het middel houdt overigens
evenminde klacht in dat de verdachte verstoken is geweest van rechtsbijstand nadat de raadsman na de afwijzing van het aanhoudingsverzoek de verdediging heeft neergelegd. [3]
eerst(cursivering van mij, AG) zou worden beslist op de zitting van 22 september 2015. Daaruit kan ik geen bereidheid tot aanhouding afleiden. Daar komt bij, en ik neem aan dat de steller van het middel daarmee bekend is, dat een aanhoudingsverzoek ter terechtzitting dient te worden gedaan en dat op zo een verzoek op de terechtzitting wordt beslist. [4]
tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat “het openbaar ministerie de acht getuigen die buiten de aanwezigheid van de verdachte of een raadsman voor de terechtzitting van 22 september 2015 had dienen op te roepen dan wel het hof te verzoeken te bepalen dat van verdere oproeping van deze getuigen kon worden afgezien” en dat “het openbaar ministerie” met betrekking tot de twee getuigen die niet door de rechter-commissaris waren gehoord aan het hof had moeten verzoeken te bepalen dat van verdere oproeping van deze getuigen zou kunnen worden afgezien dan wel hernieuwde oproeping diende plaats te vinden, zodat het hof vervolgens te dien aanzien een beslissing had dienen te nemen.
derde middelkeert zich tegen de motivering van de bewezenverklaring van feit 1 (dagvaarding 1).
Wederrechtelijk verblijf
[b-straat 1]
NJ1999/73 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in een geval waarin de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad telkens de persoon die een verklaring tegenover de politie heeft afgelegd te (doen) ondervragen, art. 6 EVRM Pro aan het gebruik tot het bewijs van het proces-verbaal van politie met een dergelijke verklaring niet in de weg staat, als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. [12] Dat steunbewijs zal dan betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die hij betwist.
vierde middelkomt op tegen ’s hofs motivering van de bewezenverklaring van feit 7 (dagvaarding 1).
vijfde middelklaagt over ’s hofs motivering van de bewezenverklaring van feit 4 (dagvaarding 1).
“Zaaksdossier 2.2 [e-straat 1]
Zaakdossier 2.10 [f-straat 1]
zesde middelklaagt over de motivering van de bewezenverklaring van een deel van feit 3 van dagvaarding 1.
zevende middelklaagt dat het hof ten onrechte geen beslissing als bedoeld in art. 353 Sv Pro heeft genomen met betrekking tot een door het Openbaar Ministerie in beslaggenomen geldbedrag van € 99.400,-.