ECLI:NL:HR:2010:BN1701
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.M.E. Thomassen
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens ontbreken uitdrukkelijke instemming met afzien van hernieuwde getuigenoproeping
In deze zaak stond het beroep in cassatie centraal tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin was afgezien van het hernieuwd oproepen van een getuige die niet was verschenen bij de terechtzitting in hoger beroep. De verdachte had geen uitdrukkelijke instemming gegeven met dit afzien, zoals vereist volgens art. 288 lid 3 Sv Pro.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 juli 2008 toonde aan dat de getuige wel was opgeroepen, maar niet was verschenen, en dat de verdediging niet uitdrukkelijk had ingestemd met het afzien van hernieuwde oproeping. Het hof had op grond van art. 287 lid 3 Sv Pro de getuige opnieuw moeten oproepen, tenzij het op grond van art. 288 lid 1 Sv Pro of art. 418 lid 2 Sv Pro met redenen omkleed kon besluiten af te zien, wat het hof naliet.
De Hoge Raad oordeelde dat dit verzuim nietigheid tot gevolg heeft en vernietigde het arrest. De zaak werd terugverwezen naar het hof voor een nieuwe berechting en beslissing op het bestaande hoger beroep. Het tweede middel werd verworpen omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens het ontbreken van uitdrukkelijke instemming met het afzien van hernieuwde getuigenoproeping en de zaak wordt terugverwezen.