Conclusie
milling technologistafgerond. Na het ongeval heeft hij de (van meet af aan) onrendabele watermolen van zijn vader overgenomen. De schadeafwikkeling verloopt alles behalve voortvarend. In het (langdurige) debat heeft [eiser] aanvankelijk aangegeven dat hij zonder het ongeval de molen zou hebben uitgebreid. In hoger beroep, inmiddels 23,5 jaar na het ongeval, betoogt [eiser] echter dat hij zonder het ongeval een andere baan zou hebben gevonden. Het hof acht niet aannemelijk dat [eiser] zonder het ongeval een carrière buiten de molen had kunnen en willen realiseren en wijst de vorderingen tot vergoeding van arbeidsvermogensschade en pensioenschade af. [eiser] komt in cassatie (kort gezegd) tegen de afwijzing van die vorderingen op met als centrale stelling dat door het hof te strenge eisen zijn gesteld aan het bewijs van de situatie zonder het ongeval. Naar mijn mening terecht: het ligt in de lijn der verwachting dat een persoon van 23 jaar binnen afzienbare tijd een normaal, bij zijn opleidingsniveau passend, inkomen kan en wil verdienen. Uit de motivering van het hof blijkt niet dat die mogelijkheid bij [eiser] (geheel) zou hebben ontbroken.
1.De feiten
f100.000,-- te doen, waarmee gelet op eerdere voorschotten de algehele schade [7] uitkomt op een bedrag van
f138.451,52 (€ 62.826,56). Voorts heeft De Goudse [eiser] er in deze brief op gewezen dat de onderhandelingen over de (begroting van de) schade in verband met het ongeval van 2 september 1989 door De Goudse formeel worden afgebroken. In reactie op deze brief heeft de advocaat van [eiser] bij brief van 7 juni 2002 (productie 13 bij inleidende dagvaarding) meegedeeld dat zijn cliënt definitief heeft besloten de schade via een procedure te verhalen. Desondanks hebben partijen daarna nog getracht de zaak in onderling overleg te regelen – en heeft De Goudse [betrokkene 2] opgedragen het in 1.6 genoemde onderzoek te verrichten – maar dit heeft niet tot overeenstemming geleid.
2.Het procesverloop
f160.000,-);
f462.500,-), althans subsidiair De Goudse te veroordelen om voor elk jaar dat zal zijn verstreken respectievelijk verstrijkt sedert 7 juni 2002 en zolang [eiser] de onderneming de Poolmolen exploiteert, doch niet langer dan zijn 65e verjaardag, aan hem per verstreken jaar te betalen € 11.344,50, jaarlijks geïndexeerd zoals nader omschreven, bij te late betaling te vermeerderen met de wettelijke rente, ingaande 7 juni van elk jaar;
f56.500,-);
f250.000,-, smartengeld ten bedrage van
f30.000,- en materiële schade ten bedrage van
f5.000,-. [eiser] heeft het verlies arbeidsvermogen (teneinde één en ander hanteerbaar te maken) over een periode van 10 jaar forfaitair berekend alsof hij personeel in dienst zou hebben genomen (hetgeen feitelijk niet het geval is). [eiser] heeft betoogd dat het verlies arbeidsvermogen na juni 2002 (onderdeel 2 van de vordering) € 11.344,50 netto per jaar zal bedragen, zijnde de kosten van een knecht voor 6 uur per dag en dat dit onderdeel van de vordering moet worden berekend totdat hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. De post verlies zelfwerkzaamheid (onderdeel 3 van de vordering) ziet op het onderhoud van het complex met het woonhuis, de watertoren en bijgebouwen, het bedrijfspand en de installaties alsmede het bijhouden van het perceel grond. [eiser] heeft deze schade begroot op
f3.000,- per jaar totdat hij 65 jaar wordt.
eerste griefbetreft de vordering inzake het verlies arbeidsvermogen en pensioenschade. Uit deze grief blijkt dat [eiser] die vordering thans, anders dan in eerste aanleg, baseert op de stelling dat hij in de hypothetische situatie ‘zonder ongeval’ na zijn afstuderen in 1988 De Poolmolen zou zijn gaan exploiteren, dat hij dit gedurende een periode van drie jaar zou hebben gedaan, maar dat hij vanaf juni 1991 een baan zou hebben gezocht en gevonden omdat De Poolmolen slechts een resultaat zou genereren op minimaal bestaansniveau. Ter onderbouwing legt [eiser] een aantal producties over, waaronder een verklaring van de directeur van de SMS van 7 maart 2012, verklaringen van een tweetal oud-studiegenoten en afgestudeerden van de SMS alsmede linkedin profielen van een aantal oud-studiegenoten en afgestudeerden van de SMS. Met de
tweede griefvordert [eiser] thans vergoeding van de kosten van huishoudelijke hulp. In de
derde griefheeft [eiser] de schadepost inzake verlies zelfwerkzaamheid vermeerderd. [eiser] heeft een rapport van [C] van 15 maart 2013 overgelegd, waarin deze drie schadeposten zijn berekend. [eiser] heeft bewijs aangeboden van genoemde schadeposten (arrest van 8 april 2014, rov. 7.4.).
3.De cassatieklachten
repeat playerermee bekend moeten zijn dat de hypo-thetische inkomenssituatie van [eiser] er anders uit ziet dan hij aangaf;
4.Begroting en afwikkeling van arbeidsvermogensschade
voorspellingenomtrent twee situaties: in de ene, de situatie ‘met ongeval’, staat het slachtoffer met zijn door het ongeval veroorzaakte beperkingen centraal en in de andere, de situatie ‘zonder ongeval’, gaat het om de vraag wat van deze gelaedeerde zou zijn geworden wanneer het schadeveroorzakende evenement was uitgebleven. In de praktijk wordt daartoe veelal aansluiting gezocht bij de normale gang van zaken (omdat de goede en kwade kansen daarin zijn verdisconteerd) en zullen verleden en heden mede bepalend zijn voor het beeld van de toekomst. [17]
Vehof/Helvetiaen
Van Sas/Interpolis. [28]
Vehof/Helvetiaging het om de vraag of mevrouw Vehof in de hypothetische situatie ‘zonder ongeval’ haar opleiding zou hebben voltooid en een baan als verzorgende zou hebben gevonden. Uw Raad oordeelde dat het in een zodanig geval aankomt op een redelijke verwachting van de rechter. Naar het oordeel van Uw Raad mogen geen hoge eisen worden gesteld aan het bewijs door de benadeelde van schade wegens het derven van arbeidsinkomsten die hij zou hebben genoten in de situatie zonder het ongeval. De benadeelde is immers door de onrechtmatige gedraging de mogelijkheid ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in de hypothetische situatie zou zijn geschied. [29]
Van Sas/Interpolisstond de vraag centraal of mevrouw Van Sas in de hypothetische situatie ‘zonder ongeval’ tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar zou hebben doorgewerkt. In die zaak kwam het hof tot het oordeel dat Van Sas (ook) zonder het ongeval naar redelijke verwachting geen gebruik zou hebben gemaakt van de mogelijkheid om tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar door te werken. Uw Raad verwierp het tegen deze uitspraak gerichte cassatieberoep. Uw Raad stelde opnieuw voorop dat het bij de begroting van dit type schade gaat om een redelijke verwachting over de toekomstige ontwikkelingen. Verder overwoog Uw Raad dat de rechter hierbij in het voordeel van de benadeelde rekening kan houden met het verlies van een keuzemogelijkheid. Dit brengt naar het oordeel van Uw Raad echter niet mee dat er in beginsel van moet worden uitgegaan dat Van Sas tot haar 65-ste jaar zou zijn blijven werken, tenzij in haar persoonlijkheid reden wordt gevonden om het tegendeel aan te nemen. [30]
ditslachtoffer (met zijn eventuele kwetsbaarheden) zou zijn geworden. De wijze waarop bij de schadebegroting rekening wordt gehouden met een predispositie kan verschillen: zo komt voor dat de looptijd van de schade wordt beperkt (het slachtoffer zou ook ‘zonder ongeval’ op enig moment zijn uitgevallen). Minder verstrekkend is dat wordt aangenomen dat betrokkene wel zou zijn blijven werken, maar in zijn carrièremogelijkheden zou zijn beperkt (hiervoor 4.9).
[D]/[E]. [D] was als magazijnmedewerker werkzaam bij [E]. Hij kreeg tijdens zijn werk tot tweemaal toe een voorwerp op zijn hoofd. Na het tweede ongeval heeft [D] geen loonvormende arbeid meer verricht. Bij [D] was sprake van een predispositie (een bijzondere persoonlijkheidsstructuur als gevolg waarvan hij in psychische zin nogal heftig op het tweede ongeval reageerde). De geraadpleegde deskundigen konden niet uitsluiten dat [D] ook bij andere stressvolle omstandigheden op deze wijze zou reageren. Het hof achtte om die reden aannemelijk dat [D] zonder de ongevallen (uiterlijk) op 55-jarige leeftijd op eenzelfde wijze zou hebben gereageerd op een ander
life event. Het hof beperkte de looptijd van de schade daarom tot die leeftijd. Dat oordeel hield in cassatie echter geen stand: [35]
[D]/[E].
[D]/[E]is ook in de onderhavige zaak de manier waarop het hof de persoonlijkheidsstructuur van het slachtoffer heeft meegewogen in het kader van de beoordeling van de situatie ‘zonder ongeval’ in sterke mate bepalend voor de uitkomst. In casu heeft het hof immers (mede) vanwege de predispositie van [eiser] geoordeeld dat hij ook zonder het ongeval de watermolen van zijn ouders zou zijn blijven exploiteren. In zoverre zou er dan nauwelijks of geen verschil bestaan tussen de hypothetische situatie zonder het ongeval en de feitelijke gang van zaken. Dit resulteert in een afwijzing van de vordering voor wat betreft arbeidsvermogensschade en pensioenschade. Op grond van de uitspraak van het hof bedraagt de totale schadevergoeding (€ 62.826,56 + € 14.439,35=) € 77.265,91 (eindarrest 17 november 2015, rov. 11.16.). Dit bedrag komt mij in vergelijking met gelijksoortige gevallen opmerkelijk laag voor.
5.Terug naar de klachten
Persoonlijkheid [eiser] .Op grond van hetgeen in het rapport van neuropsycholoog Verdonck is vermeld over de persoonlijkheid van [eiser] acht het hof aan reële twijfel onderhevig of [eiser] in staat zou zijn een vergelijkbare carrière te realiseren als zijn mede-studenten aan de SMS.
Ambitie [eiser] .Naar de vaststelling van het hof heeft [eiser] aanvankelijk benadrukt hoe belangrijk het overnemen van de molen voor hem is en dat het molenaarsvak hem in het bloed zit. [eiser] heeft de grondslag van zijn vordering 23,5 jaar na het ongeval gewijzigd. Het hof overweegt dat onder die omstandigheden van [eiser] had mogen worden verwacht dat hij concrete aanknopingspunten zou geven voor zijn stelling dat hij ‘zonder ongeval’ een carrière buiten de molen zou hebben geambieerd. Volgens het hof heeft [eiser] dit nagelaten.
milling technologistszijn doorgaans niet bij traditionele water- en windmolens werkzaam, maar worden ingezet in veel hogere functies in de
hightechindustrie; [43]
milling technology) rekening mogen houden.
subonderdeel I.3komt op tegen deze overweging. De klachten richten zich in zoverre tegen het oordeel dat [eiser] heeft nagelaten voldoende concrete aanknopingspunten te geven voor zijn stelling dat hij een carrière buiten de molen, zoals zijn studiegenoten van destijds, zou hebben geambieerd.
repeat playerin letselschadezaken wist (of had moeten weten) dat de hypothetische inkomenssituatie van [eiser] er anders uitzag dan [eiser] in eerste aanleg heeft gesteld. [49] Die stelling miskent dat de stelplicht en bewijslast in beginsel op [eiser] rusten (hiervoor 4.6) en dat De Goudse niet gehouden is [eiser] hierbij behulpzaam te zijn. Dit betekent dat het hof niet gehouden was de beide stellingen, hoewel zij op zichzelf niet onaannemelijk zijn, [50] nader in zijn motivering te betrekken. Tot slot verdedigt subonderdeel I.3 dat het hof de herstel- en herkansingsfunctie van het hoger beroep zou hebben miskend. Die klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft de herstel- en herkansingsfunctie van het appel in rov. 7.7. zelfs vooropgesteld en heeft er in de verdere overwegingen geen blijk van gegeven dit uitgangspunt te miskennen.
– nadat hem zou zijn gebleken dat De Poolmolen niet rendabel is te maken – bereid en in staat zou zijn geweest om een andere carrière te ontplooien. Het kan hierbij gaan om de gestelde carrièremogelijkheden als
milling technologistmaar ook om een mogelijke andere dienstbetrekking (hiervoor 4.6 en 5.7). In het kader van deze beoordeling lijkt benoeming van een arbeidsdeskundige aangewezen.