Conclusie
1.De feiten
€ 11.734,40
2.Het procesverloop
primairdat [eiseres] niet gerechtigd was terzake door haar geclaimde schade de door ABN Amro gestelde bankgarantie te trekken voor een hoger bedrag dan € 57.150,30, althans,
subsidiair, dat [eiseres] niet gerechtigd was terzake door haar geclaimde schade de door ABN Amro gestelde bankgarantie te trekken voor een hoger bedrag dan krachtens artikel 39 Fw Pro in aanmerking mag worden genomen, zijnde de huurpenningen verschuldigd vanaf faillissementsdatum tot aan de dag dat de huurovereenkomst is geëindigd;
3.Inleiding
huur over de opzegtermijn(meestal drie maanden). Op grond van art. 39 Fw Pro is de huur over de opzegtermijn een boedelschuld.
leegstandschade. Hierbij gaat het, gelet op de langlopende huurcontracten, vaak om grote bedragen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat art. 39 Fw Pro in de weg staat aan een beding dat de verhuurder recht geef op vergoeding van leegstandschade.
opleverschade.Dat zijn de kosten die verband houden met de ontruiming van het pand. Ook deze kosten vormen een boedelschuld. Opmerking verdient dat in deze zaak onder opleverschade ook schade aan het pand (in casu het dak) wordt gerekend. Dat is, voor zover deze schade al opleverschade genoemd kan worden, geen opleverschade die het karakter heeft van een boedelschuld.
4.De bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep
obiter dictumin rov. 3.3.4 van het Nieuwburen/Romania-arrest heeft aanleiding gegeven tot discussie. Hieruit volgt, als gezegd, dat een door een derde verstrekte garantie op zichzelf geldig is, terwijl de garant geen regresvordering heeft op de failliete boedel van de huurder. Dat lijkt te duiden op een gunstige positie voor de verhuurder. In de literatuur is de vraag gerezen hoe zich dit verhoudt tot de uitkomst in de zaken Aukema/Uni-Invest en TEP/Curatoren Autodrôme. In die zaken werd de verhuurder verplicht om het door hem onder de bankgarantie getrokken bedrag aan de boedel van de failliete huurder af te staan. [9]
ten koste vaneen ander? Volgens de parlementaire geschiedenis moet er “een zeker verband” tussen de verrijking en de verarming bestaan. [16] Aangenomen kan worden dat tegenover de verrijking van de één de verarming van de ander moet staan. [17] Niet vereist is dat de verrijkte of de verarmde de verrijking moet hebben
veroorzaakt. [18] Van ongerechtvaardigde verrijking kan ook sprake zijn indien de verrijking heeft plaatsgevonden door tussenkomst van een derde. [19] Ook gevallen van indirecte verrijking kunnen onder de werking van art. 6:212 BW Pro vallen. [20]
obiter dictumin rov. 3.3.4 van het Nieuwburen/Romania-arrest:
obiter dictumheeft willen uitsluiten. Dat zou niet in lijn zijn met het hiervoor genoemde uitgangspunt dat, in geval van opzegging door de curator met toepassing van art. 39 Fw Pro, de boedel van de failliete huurder niet – direct of indirect – mag worden belast voor leegstandschade voor zover het de huur over de opzegtermijn van drie maanden te boven gaat. [25]
obiter dictumduidt niet op een dergelijke uitzondering. De Hoge Raad spreekt in het algemeen over een “derde” die de nakoming van de leegstandschadevordering van de verhuurder heeft gegarandeerd (rov. 3.3.4). Onder die omschrijving valt ook een bank die een bankgarantie heeft afgegeven. Ook al was in de zaak Nieuwburen/Romania geen sprake van een bankgarantie, toch ligt het voor de hand dat, indien de Hoge Raad bankgaranties had willen uitsluiten, hij dit had geëxpliciteerd. Daarbij is het relevant dat het gebruik van een bankgarantie in gevallen als hier aan de orde niet ongebruikelijk is, zoals ook blijkt uit de besproken jurisprudentie en uit de onderhavige zaak.
obiter dictumgeformuleerde regel. De gedachte hierachter (de failliete boedel van de huurder mag niet worden belast), is evenzeer toepasselijk op een geval, zoals hier, dat huurder en verhuurder zijn overeengekomen dat de huurder een bankgarantie doet stellen voor leegstandschade.
uiteindelijkmoet worden gedragen, is een vraag die in deze procedure niet aan de orde is. Toch zeg ik er iets over. Ervan uitgaande dat uit het Nieuwburen/Romania-arrest volgt dat de bank ten onrechte heeft verrekend, zou ik niet willen uitsluiten dat [eiseres] op de bank een aanspraak heeft.
obiter dictumin het Nieuwburen/Romania-arrest behoeft niet tot de conclusie te leiden dat de uitkomst in de zaken Aukema/Uni-Invest en TEP/Curatoren Autodrôme – achteraf bezien – anders had moeten zijn. De Hoge Raad oordeelde in het arrest Nieuwburen/Romania weliswaar dat de garant geen regres kan nemen op de boedel, maar dat sluit een vordering van de curator op de verhuurder (zoals aan de orde in de zaken Aukema/Uni-Invest en TEP/Curatoren Autodrôme) niet uit.
5.De bespreking van het cassatiemiddel in het incidentele beroep
onderdelen 1, 2en
3hangen met elkaar samen. Ik vat de klachten eerst samen.
onderdelen 2en
3richten zich respectievelijk tegen rov. 3.5 en rov. 3.6, waarin het hof onder meer heeft geoordeeld dat de curator heeft erkend dat [eiseres] gerechtigd was de door het hof genoemde bedragen ter zake van (onder meer) achterstallige huur over de periode van 3 juni tot 8 oktober 2009 (rov. 3.5) en opleverschade (3.6) onder de bankgarantie te claimen. Volgens de onderdelen is dit oordeel rechtens onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. De curator heeft dergelijke erkenningen niet gedaan. Integendeel, de curator heeft een beroep gedaan op afstand van recht door [eiseres] (zie onderdeel 1).
uitgaande van de gerechtigdheid van [eiseres] de bankgarantie later alsnog in te roepen voor opleverschade en voor de huurtermijnen over de opzegtermijn. Het gaat, anders gezegd, niet om een onvoorwaardelijke erkenning. Ik vind voor deze uitleg steun in de overweging van het hof dat de curator heeft erkend dat [eiseres]
op basis van de subsidiaire grondslaggerechtigd was onder de bankgarantie te claimen (rov. 3.5, eerste zin). [29] Dit bouwt kennelijk voort op rov. 3.4, waarin het hof (aan het slot) heeft geoordeeld: “[eiseres] was gerechtigd om de bankgarantie later alsnog (subsidiair) in te roepen voor vorderingen die onder de eerste zin van de (…) bankgarantie vallen”.
exclusief BTW. De curator heeft echter inzake de magazijnstellingen bedragen gevorderd van primair € 238.000, en subsidiair € 101.150,--. Duidelijk is dat het hierbij gaat om de waardes
inclusief BTW. Het hof heeft een bedrag van € 85.000,-- toewijsbaar geoordeeld, waarbij het hof zich kennelijk heeft gebaseerd op het taxatierapport. Het hof heeft wel toegelicht waarom het is uitgegaan van de – subsidiair gevorderde – liquidatiewaarde, maar niet waarom het gevorderde bedrag van € 101.150,-- (inclusief BTW) niet toewijsbaar was. Het hof heeft zijn oordeel aldus niet toereikend gemotiveerd. Onderdeel 5 is in zoverre gegrond.