10. De steller van het middel hanteert als uitgangspunt dat het kopen en verkopen van kweekbenodigdheden een legale activiteit is. Daarbij moet worden bedacht dat de bewezen verklaarde feiten dateren van vóór 1 maart 2015. Met ingang van die datum is het nieuwe art. 11a van de Opiumwet van kracht, op grond waarvan handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van de handel in en productie of teelt van middelen vermeld op lijst II strafbaar zijn gesteld.Met de wetswijzigingheeft de wetgever nieuwe mogelijkheden gecreëerd om alle schakels in de voorfase van de cannabisproductie, zoals ‘growshops’, aan te kunnen pakken. Growshops worden wel aangeduid als de motor achter de georganiseerde wietteelt.De memorie van toelichting spreekt in dit kader van een professionalisering van de hennepteelt, waarbij tegelijkertijd het juridisch instrumentarium om tegen al die aspecten op te treden tekort schiet:
“Bij de aanpak van illegale hennepteelt, die al enige tijd geleden versterkt is ingezet, is steeds duidelijk geworden dat het enkele optreden tegen de hennepkwekerijen en tegen de bij de teelt direct betrokkenen niet toereikend is voor een daadwerkelijke terugdringing van het fenomeen van illegale hennepteelt. Het is noodzakelijk om ook op te treden tegen activiteiten van ondersteunende aard rond de illegale teelt, in het bijzonder die activiteiten, welke strekken ter voorbereiding of bevordering van die teelt.”
11. Over het fenomeen van de ‘growshop’ bevat de memorie van toelichting de volgende passage:
“Het bestaan daarvan (de growshop, AG) is tot nu toe ongemoeid gelaten, op grond van de redenering dat dit geen strafbare handelingen zijn omdat de goederen die worden verkocht ook voor legale doeleinden gebruikt worden. Overigens is bij het functioneren van growshops wel altijd de kanttekening geplaatst dat indien bewezen kan worden dat de verkoper wist (minimaal voorwaardelijk opzet) dat de aanschaf van die legale goederen is gedaan met het oog op het illegaal telen van hennep én dat de koper daadwerkelijk is gaan telen met behulp van de verkochte technische hulpmiddelen, de verkoper als medeplichtige aan het telen kan worden aangemerkt. (Kamerstukken II 1997/98, 25 325, nr. 6).”
12. De wetgever achtte de mogelijkheden van een strafrechtelijke aanpak van de professionele verkoop van kweekbenodigdheden tot het moment van de inwerkingtreding van art. 11a van de Opiumwet ontoereikend. Daarbij is van belang dat de handel veelal bestaat uit producten die ook voor de – legale - kweek van andere planten kunnen worden gebruikt en die ook elders te verkrijgen zijn. Strafvervolging via de bestaande strafrechtelijke deelnemingsvormen was tot voor kort problematisch in verband met het vereiste (dubbele) opzet.Ook het vervolgen wegens een poging tot hennepteelt was een lastig begaanbare weg.
13. Degene die ten tijde van de bewezen verklaarde feiten kweekbenodigdheden verkocht, maakte zich dan ook niet zonder meer schuldig aan een strafbaar feit.In zoverre is het uitgangspunt van de steller van het middel juist. Daaraan moet echter worden toegevoegd dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, ook degene die kweekbenodigdheden verkocht zich schuldig kon maken aan medeplegen van of medeplichtigheid aan het telen van hennep.Zijn positie is in zoverre vergelijkbaar met de persoon die niets meer doet dan een ruimte ter beschikking stellen aan de hennepkweker. Ook hij kan daarvoor onder omstandigheden op grond van de Opiumwet strafrechtelijk worden aangesproken.Voor zover aan het middel de veronderstelling ten grondslag ligt dat het verkopen van kweekbenodigdheden ten tijde van de bewezen verklaarde feiten een legale activiteit was en de betrokkene derhalve per definitie straffeloos handelde, is het gestoeld op een onjuist uitgangspunt.
14. Het openbaar ministerie en de rechtbank zijn in de onderhavige zaak in het kader van het bewijs dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen en auto’s afkomstig zijn uit enig misdrijf uitgegaan van een - naar haar aard abstracte - kasopstelling. Het hof hanteert een meer concrete benadering. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan (poging tot) het telen van hennep. Dat oordeel heeft het hof gestoeld op de volgende omstandigheden:
(i) de verdachte kocht en verkocht kweekbenodigdheden die worden gebruikt in hennepkwekerijen;
(ii) de verdachte heeft geen informatie over zijn afnemers willen geven en ook geen verkoopadministratie bijgehouden, waardoor de afnemers niet zijn getraceerd;
(iii) de verdachte maakte hoge winsten, omdat hij de spullen naar de kopers toe bracht. Daardoor hoefden de klanten niet zelf naar een ‘growshop’ te gaan, waar zij gezien zouden kunnen worden;
(iv) de verdachte ontving contante bedragen voor de verkoop van kweekbenodigdheden, waardoor ook de afnemers ook niet via de betalingen waren te traceren;
(v) naar aanleiding van een anonieme tip is een hennepplantage aan de [a-straat 1] te Lelystad aangetroffen. Volgens de eigenaar werd in de woning sinds 2004 hennep gekweekt en zou de verdachte bij die hennepkwekerij betrokken zijn.
15. Als een volkomen verrassing kan de benadering van het hof overigens niet zijn gekomen. De rechtbank heeft gewezen op de kunstmatig verhoogde omzet van [A] en op het aantreffen van hennepresten in de door de verdachte en de medeverdachte bewoonde woning. De officier van justitie heeft de veronderstelling geuit dat [A] geen legitieme onderneming is, maar slechts een dekmantel, een instrument voor het witwassen.Ten slotte heeft het hof zelf ter terechtzitting van 6 september 2013 als alternatieve benadering aan de verdediging en het openbaar ministerie voorgehouden dat de winst die de verdachte heeft gemaakt uit de verkoop van kweekbenodigdheden crimineel vermogen is, omdat de verdachte zich met de verkoop en het afleveren van die kweekbenodigdheden heeft schuldig gemaakt aan misdrijven, te weten medeplichtigheid aan (poging tot) het telen van hennep. Het hof heeft de advocaat-generaal en de raadsman uitgenodigd op deze benadering te reageren, van welke gelegenheid zij geen gebruik hebben gemaakt.Ik deel dan ook niet het standpunt van de steller van het middel dat de verdediging in dit verband een verweermogelijkheid is onthouden.