ECLI:NL:PHR:2015:819

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2015
Publicatiedatum
4 juni 2015
Zaaknummer
13/05694
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis SrArt. 420ter SrArt. 27 SrArt. 11a Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplichtigheid aan hennepteelt en witwassen van opbrengsten uit growshopactiviteiten

De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens het maken van een gewoonte van witwassen, bestaande uit het verwerven en voorhanden hebben van contante geldbedragen en luxe personenauto's, afkomstig uit misdrijf. Het hof kwalificeerde de verkoop van kweekbenodigdheden als medeplichtigheid aan (poging tot) het telen van hennep.

De verdediging voerde aan dat de verkoop van kweekbenodigdheden een legale activiteit was en dat niet bewezen kon worden dat verdachte wist dat de opbrengsten uit misdrijf afkomstig waren. Het hof oordeelde echter dat de verdachte bewust de criminele herkomst van zijn inkomsten verhulde door onder meer geen verkoopadministratie bij te houden, contante betalingen te accepteren en klanten te beschermen door geheimhouding.

De Hoge Raad bevestigt dat het hof niet onjuist oordeelde en dat de motivering toereikend is. Tevens benadrukt de Hoge Raad dat voor witwassen bij voorwerpen afkomstig uit eigen misdrijf een extra motivering vereist is dat het gedrag gericht was op het verbergen van de criminele herkomst. De Hoge Raad oordeelt dat dit in deze zaak voldoende is aangetoond. Wel wordt de straf verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor witwassen en medeplichtigheid aan hennepteelt, met strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn.

Conclusie

Nr. 13/05694
Zitting: 24 maart 2015
Mr. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 20 september 2013 de verdachte wegens “van het plegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 220 uren, subsidiair 110 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld. Deze zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte (13/05704 P) en met de straf- en ontnemingszaak tegen zijn medeverdachte [medeverdachte] (13/05703 en 13/05705 P), in welke zaken ik vandaag eveneens concludeer.
3. Het
eerste middelkeert zich tegen de bewezenverklaring van het onderdeel ‘van enig misdrijf afkomstig’ en tegen de kwalificatie.
4. Ten laste van de verdachte is bewezen dat:
“hij in de periode van 1 januari 2002 tot 30 oktober 2007 te Lelystad, althans in Nederland, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van witwassen, hierin bestaande dat verdachte telkens
- geldbedragen en
- personenauto’s, te weten een Opel Astra, een BMW X5, een VW Golf en een Mini Cooper heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij wist dat die voorwerpen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.”
5. Deze bewezenverklaring steunt op vijfentwintig bewijsmiddelen. Voorts heeft het hof in het verkort arrest de volgende bewijsoverweging opgenomen:
"Aan verdachte is (onder meer) ten laste gelegd dat hij geld en (luxe) goederen voorhanden heeft gehad die (on)middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.
Volgens het openbaar ministerie zou uit onderzoek volgen dat verdachte gedurende de tenlastegelegde periode meer heeft uitgegeven dan hij aan legale inkomsten heeft gehad. Door middel van de zogenaamde kasopstelling is berekend dat verdachte en medeverdachte in de tenlastegelegde periode € 311.330 aan contant geld beschikbaar hadden voor het doen van uitgaven, terwijl zij voor een bedrag van € 435.672 aan werkelijke contante bestedingen hebben gedaan. De veronderstelling is dat een bedrag van € 124.372 uit criminele activiteiten is verkregen.
Daarnaast zou sprake zijn van kunstmatig verhoogde omzet die tot uiting kwam in hoge brutowinstmarges op nieuwe en gebruikte kweekartikelen. Het zou gaan om een bedrag van €258.216. Daarbij is de veronderstelling dat dit bedrag via criminele activiteiten is verkregen en dat met het kunstmatige verhogen van de omzet, verdachte de criminele herkomst heeft willen verhullen.
Deze benadering is door de rechtbank geaccepteerd zij het dat de rechtbank enige correcties heeft toegepast.
Door [betrokkene 1], forensisch accountant, is op verzoek van de verdediging in de fase van het hoger beroep onderzoek gedaan naar de hierboven genoemde berekening. [betrokkene 1] komt tot de conclusie dat de bevindingen van het OM dat verdachte en medeverdachte een onverklaarbaar inkomen/vermogen hadden van € 124.372 niet juist is. Volgens zijn berekening zou slechts sprake zijn van een negatief saldo van € 3.123. Voorts is [betrokkene 1] van mening dat er geen betrouwbare grond is om te komen tot een negatieve winstcorrectie.
Mede gelet op het rapport van [betrokkene 1] zal het hof de hierboven genoemde benadering van het openbaar ministerie en de rechtbank niet volgen. Naar het oordeel van het hof zitten in de onderhavige zaak in zowel de kasopstelling als de redenering met betrekking tot de kunstmatig verhoogde omzet zo veel veronderstellingen dat de kans groot is dat de resultaten niet overeenkomen met hetgeen in werkelijkheid heeft plaatsgevonden.
Door het hof is ter zitting een alternatieve benadering gepresenteerd. Noch door advocaat-generaal, noch door de raadsman is hierop gereageerd. Kort gezegd leidt deze alternatieve benadering tot de conclusie dat de winst die verdachte heeft gemaakt op de verkoop van kweekbenodigdheden crimineel verkregen vermogen is, omdat de verdachte met de verkoop van die kweekbenodigdheden zich heeft schuldig gemaakt aan misdrijven, namelijk medeplichtigheid aan (poging tot) het telen van hennep.
Het hof komt op basis van de volgende gegevens tot de conclusie dat sprake is van verdiensten uit medeplichtigheid aan het telen van hennep:
1. Verdachte kocht en verkocht kweekbenodigdheden. Het gaat hierbij om materialen die gebruikt worden in hennepkwekerijen. Op 36 e.v. is een overzicht te vinden van materialen die verdachte in 2007 kocht bij de groothandel [B] . Het gaat daarbij om (grote hoeveelheden) stektrays en -dozen, potten, aarde, lampen, CAN filters, droogrekken, schakelborden, vaten, tuinslangen etc. De spullen werden gekocht op naam van [A] , het bedrijf van de verdachte dat eerst op naam stond van medeverdachte. Behalve nieuwe spullen kocht verdachte ook gebruikte spullen. Verdachte heeft over de koop van gebruikte spullen verklaard en tevens zijn inkoopfacturen aangetroffen. Zoals de factuur nr. 59 met datum 14 april 2004 waarop staat 25 trafo 's, 35 afzuigers, 500 tl lampen, 1 knipmachine, 7 watertonnen en 5 stroomkasten.
2. Verdachte geeft geen informatie prijs over zijn klanten. Tijdens de verhoren wil hij niets over zijn klanten verklaren en ook houdt hij geen verkoopfacturen bij.
3. Verdachte maakt hoge winsten op de verkoop van kweekproducten, omdat hij de spullen naar de kopers toebrengt, zodat ze niet zelf naar een growshop hoeven gaan waar ze gezien kunnen worden.
4. Verdachte ontving contante bedragen voor de verkoop van kweekbenodigdheden zodat ook niet via de betalingen was na te gaan wie de kopers waren van de kweekbenodigdheden.
5. Het is door de geheimhouding van de verdachte over zijn afnemers binnen het opsporingsonderzoek niet gelukt om die afnemers te traceren.
6. Op 8 december 2007 werd naar aanleiding van een anonieme tip een hennepkwekerij aangetroffen op het adres [a-straat 1] in Lelystad. Volgens de eigenaar werd er in de woning al sinds 2004 hennep gekweekt en zou verdachte bij die hennepkwekerij betrokken zijn. Verdachte heeft verklaard dat hij daar wel eens spullen afleverde. De naam van de klant wil hij niet noemen.
Gelet op de spullen die verdachte verkoopt, zijn geheimhouding met betrekking tot de afnemers, het niet bijhouden van verkoopfacturen en de hoge winsten die verdachte maakt op de verkoop van kweekspullen, kan het niet anders zijn dat verdachte die spullen aflevert aan personen die een hennepkwekerij hebben of een hennepkwekerij aan het opbouwen zijn en verdachte dit weet, althans de aanmerkelijke kans accepteert dat dit het geval is. Verdachte die zijn afnemers wel kent, heeft ook nimmer aangevoerd dat de spullen voor iets anders werden gebruikt dan voor (het opzetten van) een hennepkwekerij.
Het hof gaat er verder van uit dat de verdachte door met het geheimhouden van zijn klanten niet alleen zijn klanten heeft willen beschermen (en zijn handel), maar ook heeft willen voorkomen dat die klanten verklaringen afleggen die ook voor de verdachte belastend zouden zijn, zoals bijvoorbeeld dat verdachte wetenschap zou hebben van de (in aanbouw zijnde) hennepplantage. Aldus heeft de verdachte ook de criminele herkomst van zijn winst willen verhullen."
6. Het middel bevat in de eerste plaats de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden hebben van de geldbedragen en de auto’s wist dat deze voorwerpen middellijk of onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf. Nu de verdachte met zijn onderneming [A] een gewone handel had in kweekbenodigdheden en de bewijsmiddelen niet uitsluiten dat het geld en de personenauto’s waarop de bewezenverklaring ziet afkomstig zijn uit legale activiteiten, kan evenmin uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat de voorwerpen uit misdrijf afkomstig zijn, aldus de steller van het middel.
7. Het gaat in deze zaak om het volgende. De verdachte kocht en verkocht in het kader van de onderneming ‘ [A] ’ kweekbenodigdheden. Het gaat daarbij om producten die worden gebruikt in hennepkwekerijen. Verdachtes partner en medeverdachte [medeverdachte] heeft [A] in 2001 opgezet. Vanaf 2002 of 2003 heeft de verdachte de werkzaamheden overgenomen. Het hof heeft geconcludeerd dat de winst die de verdachte met [A] heeft behaald op de verkoop van kweekbenodigdheden van misdrijf afkomstig is. Met de verkoop van kweekbenodigdheden heeft de verdachte zich volgens het hof schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan (poging tot) het telen van hennep.
8. Art. 420bis, eerste lid, Sr luidde, voor zover hier van belang, ten tijde van de bewezen verklaarde feiten als volgt:
“Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:
(…)
b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf.”
Art. 420ter Sr luidde als volgt:
“Hij die van het plegen van witwassen een gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
9. In de tenlastelegging en de daarmee in zoverre overeenstemmende bewezenverklaring is het begrip 'afkomstig (…) uit enig misdrijf’ kennelijk in dezelfde betekenis gebezigd als daaraan toekomt in art. 420bis, eerste lid, aanhef en onder b, Sr. Voor het bewijs dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf hoeft het onderliggende misdrijf niet nauwkeurig aangeduid te worden. Vaak zal dit niet mogelijk zijn, terwijl het ook niet relevant is voor de strafwaardigheid van het witwassen. [1] Het bewijs dat een voorwerp ‘uit enig misdrijf afkomstig is’ kan in voorkomende gevallen ook aanwezig worden geacht indien geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf maar het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Voldoende is dat wordt (ten laste gelegd en) bewezen dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Het openbaar ministerie zal in witwaszaken derhalve zoveel bewijsmateriaal moeten aanleveren dat daaruit ofwel rechtstreeks blijkt van de criminele herkomst van een voorwerp, ofwel dat er zodanige omstandigheden zijn aangetroffen dat daaruit de gerechtvaardigde conclusie kan worden getrokken dat het niet anders kan zijn dat het voorwerp afkomstig is van enig misdrijf. Voorts geldt dat het voorwerp niet geheel uit enig misdrijf afkomstig hoeft te zijn. Indien het voorwerp gedeeltelijk uit de opbrengst van een misdrijf is gefinancierd en gedeeltelijk uit ander, legaal geld, kan nog steeds worden gezegd dat het –mede- uit enig misdrijf afkomstig is. [2]
10. De steller van het middel hanteert als uitgangspunt dat het kopen en verkopen van kweekbenodigdheden een legale activiteit is. Daarbij moet worden bedacht dat de bewezen verklaarde feiten dateren van vóór 1 maart 2015. Met ingang van die datum is het nieuwe art. 11a van de Opiumwet van kracht, op grond waarvan handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van de handel in en productie of teelt van middelen vermeld op lijst II strafbaar zijn gesteld. [3] Met de wetswijziging [4] heeft de wetgever nieuwe mogelijkheden gecreëerd om alle schakels in de voorfase van de cannabisproductie, zoals ‘growshops’, aan te kunnen pakken. Growshops worden wel aangeduid als de motor achter de georganiseerde wietteelt. [5] De memorie van toelichting spreekt in dit kader van een professionalisering van de hennepteelt, waarbij tegelijkertijd het juridisch instrumentarium om tegen al die aspecten op te treden tekort schiet:
“Bij de aanpak van illegale hennepteelt, die al enige tijd geleden versterkt is ingezet, is steeds duidelijk geworden dat het enkele optreden tegen de hennepkwekerijen en tegen de bij de teelt direct betrokkenen niet toereikend is voor een daadwerkelijke terugdringing van het fenomeen van illegale hennepteelt. Het is noodzakelijk om ook op te treden tegen activiteiten van ondersteunende aard rond de illegale teelt, in het bijzonder die activiteiten, welke strekken ter voorbereiding of bevordering van die teelt.”
11. Over het fenomeen van de ‘growshop’ bevat de memorie van toelichting de volgende passage:
“Het bestaan daarvan (de growshop, AG) is tot nu toe ongemoeid gelaten, op grond van de redenering dat dit geen strafbare handelingen zijn omdat de goederen die worden verkocht ook voor legale doeleinden gebruikt worden. Overigens is bij het functioneren van growshops wel altijd de kanttekening geplaatst dat indien bewezen kan worden dat de verkoper wist (minimaal voorwaardelijk opzet) dat de aanschaf van die legale goederen is gedaan met het oog op het illegaal telen van hennep én dat de koper daadwerkelijk is gaan telen met behulp van de verkochte technische hulpmiddelen, de verkoper als medeplichtige aan het telen kan worden aangemerkt. (Kamerstukken II 1997/98, 25 325, nr. 6 [6] ).”
12. De wetgever achtte de mogelijkheden van een strafrechtelijke aanpak van de professionele verkoop van kweekbenodigdheden tot het moment van de inwerkingtreding van art. 11a van de Opiumwet ontoereikend. Daarbij is van belang dat de handel veelal bestaat uit producten die ook voor de – legale - kweek van andere planten kunnen worden gebruikt en die ook elders te verkrijgen zijn. Strafvervolging via de bestaande strafrechtelijke deelnemingsvormen was tot voor kort problematisch in verband met het vereiste (dubbele) opzet. [7] Ook het vervolgen wegens een poging tot hennepteelt was een lastig begaanbare weg. [8]
13. Degene die ten tijde van de bewezen verklaarde feiten kweekbenodigdheden verkocht, maakte zich dan ook niet zonder meer schuldig aan een strafbaar feit. [9] In zoverre is het uitgangspunt van de steller van het middel juist. Daaraan moet echter worden toegevoegd dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, ook degene die kweekbenodigdheden verkocht zich schuldig kon maken aan medeplegen van of medeplichtigheid aan het telen van hennep. [10] Zijn positie is in zoverre vergelijkbaar met de persoon die niets meer doet dan een ruimte ter beschikking stellen aan de hennepkweker. Ook hij kan daarvoor onder omstandigheden op grond van de Opiumwet strafrechtelijk worden aangesproken. [11] Voor zover aan het middel de veronderstelling ten grondslag ligt dat het verkopen van kweekbenodigdheden ten tijde van de bewezen verklaarde feiten een legale activiteit was en de betrokkene derhalve per definitie straffeloos handelde, is het gestoeld op een onjuist uitgangspunt.
14. Het openbaar ministerie en de rechtbank zijn in de onderhavige zaak in het kader van het bewijs dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen en auto’s afkomstig zijn uit enig misdrijf uitgegaan van een - naar haar aard abstracte - kasopstelling. Het hof hanteert een meer concrete benadering. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan (poging tot) het telen van hennep. Dat oordeel heeft het hof gestoeld op de volgende omstandigheden:
(i) de verdachte kocht en verkocht kweekbenodigdheden die worden gebruikt in hennepkwekerijen;
(ii) de verdachte heeft geen informatie over zijn afnemers willen geven en ook geen verkoopadministratie bijgehouden, waardoor de afnemers niet zijn getraceerd;
(iii) de verdachte maakte hoge winsten, omdat hij de spullen naar de kopers toe bracht. Daardoor hoefden de klanten niet zelf naar een ‘growshop’ te gaan, waar zij gezien zouden kunnen worden;
(iv) de verdachte ontving contante bedragen voor de verkoop van kweekbenodigdheden, waardoor ook de afnemers ook niet via de betalingen waren te traceren;
(v) naar aanleiding van een anonieme tip is een hennepplantage aan de [a-straat 1] te Lelystad aangetroffen. Volgens de eigenaar werd in de woning sinds 2004 hennep gekweekt en zou de verdachte bij die hennepkwekerij betrokken zijn.
15. Als een volkomen verrassing kan de benadering van het hof overigens niet zijn gekomen. De rechtbank heeft gewezen op de kunstmatig verhoogde omzet van [A] en op het aantreffen van hennepresten in de door de verdachte en de medeverdachte bewoonde woning. De officier van justitie heeft de veronderstelling geuit dat [A] geen legitieme onderneming is, maar slechts een dekmantel, een instrument voor het witwassen. [12] Ten slotte heeft het hof zelf ter terechtzitting van 6 september 2013 als alternatieve benadering aan de verdediging en het openbaar ministerie voorgehouden dat de winst die de verdachte heeft gemaakt uit de verkoop van kweekbenodigdheden crimineel vermogen is, omdat de verdachte zich met de verkoop en het afleveren van die kweekbenodigdheden heeft schuldig gemaakt aan misdrijven, te weten medeplichtigheid aan (poging tot) het telen van hennep. Het hof heeft de advocaat-generaal en de raadsman uitgenodigd op deze benadering te reageren, van welke gelegenheid zij geen gebruik hebben gemaakt. [13] Ik deel dan ook niet het standpunt van de steller van het middel dat de verdediging in dit verband een verweermogelijkheid is onthouden.
16. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte ten aanzien van de aangetroffen hennepplantage niet alleen kweekbenodigdheden heeft geleverd, maar ook betrokken is geweest bij de aanschaf van het pand en de daadwerkelijke teelt van de hennep. In dit verband valt te wijzen op de als bewijsmiddel 10 gebruikte verklaring van de getuige Tamarinde:
“U vraagt mij naar de aangetroffen hennepkwekerij in mijn woning aan de [a-straat 1] . In 2003 werd ik benaderd door ene [verdachte] [14] . Ik ken hem van een growshop in Emmeloord. [verdachte] vroeg mij toen of ik een woning wilde kopen voor een maat van hem uit Amsterdam. Die maat zou dan in dat huis gaan wonen. [verdachte] wist wel een woning op de [a-straat 1] in Lelystad. In het begin heb ik nog wel wat in die woning geklust. [verdachte] en [betrokkene 2] regelden de inrichting van de woning. Ongeveer een jaar later, in 2004, kwam ik erachter dat het foute boel was. Ik kwam er toen achter dat zij hennep kweekten in die woning.”
17. Gelet op het voorgaande, getuigt het oordeel van het hof dat sprake is van geld en voorwerpen ‘afkomstig uit enig misdrijf’ en dat dat misdrijf bestaat uit medeplichtigheid aan (poging tot) hennepteelt niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dat oordeel evenmin onbegrijpelijk is. Het hof heeft, gelet op de in het arrest genoemde specifieke omstandigheden van het geval, kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de betrokkenheid bij de hennepkwekerij aan de [a-straat 1] te Lelystad niet op zichzelf stond, maar dat de bedrijfsmatige levering van kweekbenodigdheden in het kader van [A] in het teken heeft gestaan van het opzettelijk faciliteren van de hennepteelt. Dat oordeel steunt op meer dan op het enkele feit dat de verdachte kweekbenodigdheden verkocht. De door het hof aan zijn oordeel ten grondslag gelegde factoren vinden hun basis in de gebezigde bewijsmiddelen. Het bewijs dat de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen en auto’s – onmiddellijk of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig zijn, kan aldus uit de bewijsmiddelen worden afgeleid.
18. Voor zover de steller van het middel aanvoert dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid waaruit de medeplichtigheid precies heeft bestaan, stelt hij een eis die het recht niet kent. Bedacht moet worden dat de tenlastelegging is toegesneden op witwassen en dat in dezen slechts behoeft te worden bewezen dat de desbetreffende voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig zijn uit enig misdrijf. Niet is vereist dat het misdrijf nauwkeuriger wordt aangeduid dan het hof heeft gedaan. Zoals hiervoor onder 9 is voorop gesteld, geldt evenmin de eis dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de goederen volledig met het door misdrijf verkregen vermogen zijn bekostigd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de in de bewezenverklaring genoemde personenauto’s, te weten een Opel Astra, een BMW X5, een Mini Cooper en een VW Golf, geheel of gedeeltelijk contant zijn betaald, terwijl het hof daaruit voorts heeft kunnen afleiden dat de contante betalingen zijn gedaan uit de inkomsten uit [A] . [15]
19. In zoverre is de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd.
20. In de tweede plaats behelst het middel de klacht dat het hof het bewezen verklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als gewoontewitwassen, aangezien het hier gaat om een door de verdachte zelf gepleegd misdrijf.
21. In dit verband kan worden voorop gesteld dat noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hem zelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens witwassen. Indien het verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf is ten laste gelegd en dat verwerven of voorhanden hebben niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, kan die gedraging echter niet als witwassen worden gekwalificeerd. Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. [16]
22. Met mijn ambtgenoot Vellinga ben ik van mening dat de ratio van de kwalificatieuitsluitingsgrond, zoals hiervoor omschreven, niet is beperkt tot die gevallen waarin verdachte het gronddelict heeft gepleegd. Deze is ook van toepassing in die gevallen waarin de verdachte daaraan medeplichtig is geweest. Met de kwalificatieuitsluitingsgrond wordt immers beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft en/of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. [17] Het voorgaande betekent dat ook in geval van medeplichtigheid het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp door eigen misdrijf verkregen alleen kan worden gekwalificeerd als witwassen indien er sprake is van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.
23. In de onderhavige zaak staat het verwerven en voorhanden hebben van geldbedragen en de in de bewezenverklaring aangeduide personenauto’s centraal. Voor de vraag of de kwalificatieuitsluitingsgrond van toepassing is, dient onderscheid tussen beide categorieën te worden gemaakt. Het hof is er kennelijk en niet onbegrijpelijk vanuit gegaan dat de personenauto’s niet onmiddellijk uit misdrijf afkomstig zijn, maar zijn aangeschaft met uit misdrijf afkomstige gelden. Daarmee gaat het om voorwerpen die middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn. Op die categorie voorwerpen heeft de in de jurisprudentie ontwikkelde kwalificatieuitsluitingsgrond geen betrekking. Daarvoor geldt derhalve niet de eis dat sprake is van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. [18]
24. Ten aanzien van de in de bewezenverklaring opgenomen ‘geldbedragen’ geldt het volgende. Het hof is ervan uitgegaan dat de verdachte met het geheim houden van zijn klanten zijn klanten en zijn handel heeft willen beschermen. Ook heeft hij daarmee volgens het hof willen voorkomen dat de afnemers verklaringen afleggen die voor de verdachte belastend zouden zijn, zoals dat de verdachte wetenschap zou hebben van de in aanbouw zijnde hennepplantage. Aldus heeft de verdachte naar het oordeel van het hof de criminele herkomst van zijn winst willen verhullen.
25. De motivering van het hof moet worden bezien in het licht van de gehele bewijsvoering, waaruit volgt dat het hof [A] niet heeft gezien als een reguliere onderneming met legale handelsactiviteiten. Daarbij heeft het hof acht geslagen op de wijze van bedrijfsvoering, die in het teken stond van afscherming van de afnemers. Zo voerde de verdachte geen verkoopadministratie, gaf hij geen informatie over zijn afnemers, handelde hij met contant geld, werd een bedrijfspand afgestoten omdat de klanten het niet op prijs stelden daar te komen vanwege de kans door de politie gezien te worden en maakte hij hoge winsten omdat hij de spullen naar de kopers bracht, zodat deze niet zelf naar een ‘growshop’ hoefden te gaan en de kans liepen daar gezien te worden. Het hof heeft in dit verband kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verdachte door de wijze waarop hij de bedrijfsvoering heeft gevoerd de criminele herkomst van de via [A] verkregen inkomsten heeft willen verhullen. Het hof heeft met zijn overwegingen tot uitdrukking gebracht dat de verdachte aldus – op een min of meer klassieke wijze – de criminele herkomst van de gelden heeft versluierd door te doen voorkomen alsof de inkomsten van [A] uit (rechtmatige) ondernemingsactiviteiten zijn voortgekomen. Het geheim houden van klanten vormde in de gedachtegang van het hof een essentiële schakel in dit proces van het verdonkeremanen van de criminele herkomst van de ingekomen gelden. [19] Aldus heeft het hof toereikend gemotiveerd dat de verdachte de geldbedragen niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen. Het oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.
26. Het middel faalt.
27. Het
tweedemiddel behelst een klacht over de schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Namens de verdachte is op 1 oktober 2013 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 20 juni 2014 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen. Daarmee is de inzendtermijn overschreden en is het middel terecht voorgesteld. Dat betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn in de onderhavige zaak moet leiden tot vermindering van de opgelegde straf.
28. Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
29. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 28 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2124 en Kamerstukken II 1999/2000, 27 159, nr. 3, blz. 16.
2.G.C. Haverkate, Bereik en toepassing van de Nederlandse strafbepalingen inzake witwassen in Witwassen in België en Nederland, Preadvies voor de Nederlands-Vlaamse Vereniging voor Strafrecht (2008), p. 14. Zie ook HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578, NJ 2011/44 m.nt. N. Keijzer en de conclusie voorafgaand aan HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2758.
3.Wet van 12 november 2014 tot wijziging van de Opiumwet in verband met de strafbaarstelling van handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale hennepteelt, Stb. 2014, 444 en Stb. 2014, 489.
4.Het wetsvoorstel werd geïnitieerd door een motie van Haersma Buma c.s. op 15 november 2007. Zie Kamerstukken II 2007/08, 31200 VI, nr. 52.
5.P.M. van Russen Groen, Het growshopverbod, NJB 2013, afl. 28, p. 1674 ev.
6.Vgl. p. 5.
7.M.J. Borgers en E.M. van Poecke, Op weg naar het einde: de strafbaarstelling van voorbereiding en vergemakkelijking van professionele hennepteelt, in AAe 2012, p. 171 en J. de Hullu, Materieel strafrecht, vijfde druk, p. 473.
8.Vgl. HR 17 november 2009, NJ 2010, 337 m.nt. Borgers.
9.Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1593, NJ 2014, 513 en HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:1894.
10.Vgl. HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:1894.
11.Zie HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3622 en zie met name ook de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee voorafgaand aan dat arrest: ECLI:NL:PHR:2013:BZ3622. Vgl. ook HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3565.
12.Vgl. p. 2 van het requisitoir tijdens de zitting van 23 maart 2010.
13.Zie p. 3-4 van het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 september 2013.
14.Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat met ‘ [verdachte] ’ de verdachte is bedoeld.
15.Ik volsta in dit verband met verwijzing naar bewijsmiddel 1, waarin de verdachte verklaart dat zijn inkomsten de afgelopen jaren uit [A] zijn, en naar de bewijsmiddelen 21, 22 en 23, die verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachte behelzen over de (contante) betaling van de genoemde auto’s. De verdachte verklaart onder meer dat hij voor de betaling van de Mini Cooper “sowieso geld uit de zaak gehaald” heeft.
16.Vgl. onder meer HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150 en 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001 en 2002, NJ 2014, 77 m.nt. M.J. Borgers.
17.Conclusie van 17 februari 2015 in de zaak met nummer 13/02134 (nog ongepubliceerd), onder 18.
18.HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702.
19.Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse voorafgaand aan HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1572.