Conclusie
eerste middelwordt geklaagd dat art. 6 lid 1 EVRM Pro is geschonden nu de inzendingstermijn in cassatie is overschreden.
tweede middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte heeft nagelaten om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van verzoeker, althans dat de beslissing om het openbaar ministerie wel te ontvangen in de vervolging zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk is.
derde middelwordt geklaagd over de bewezenverklaarde periode ten aanzien waarvan onjuist aangiften loonbelasting en premie volksverzekering zou zijn gedaan.
vierde middelwordt geklaagd dat het hof verdachte ten onrechte heeft aangemerkt als feitelijk leidinggever aan het doen van onjuiste aangiften door de GR WOT, althans dat dat oordeel zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk is.
vijfde middelwordt erover geklaagd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte opzet heeft gehad op het doen van onjuiste aangiften.
zesde middelbevat de klacht dat de als bewijsmiddel 2 gebezigde verklaring van verdachte een aantal malen is gedenatureerd.
zevende middelwordt geklaagd over de strafmotivering. Het hof zou twee omstandigheden hebben meegewogen waarvan niet blijkt dat deze ter terechtzitting aan de orde zijn gesteld.