Conclusie
middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat er sprake is van voorwaardelijk opzet op de invoer van cocaïne onbegrijpelijk is, althans dat de bewezenverklaring dienaangaande onvoldoende met redenen is omkleed. Volgens de steller van het middel is de bewijsvoering niet redengevend voor het bewezen verklaarde opzettelijk handelen, terwijl uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte niet kan volgen dat er sprake is van meer dan (on)bewuste schuld.