Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
betreffendeonderdeel van de tegenprestatie het door de belastingplichtige gekozen stelsel van winstbepaling tot gevolg heeft dat de waarde van dit onderdeel van de bedongen tegenprestatie (mede) na 26 juni 2000 tot de winst wordt gerekend.
belangbij de waardeveranderingen verloor. Ook dit feit pleit ervoor om in een situatie als de onderhavige waarin de belanghebbende door het sluiten van een koopovereenkomst het belang bij de waardeveranderingen van het verkochte verliest, maar goed koopmansgebruik hem nog de ruimte geeft de winstneming uit te stellen, bij latere winstneming tenminste vrijgesteld dient te blijven dat gedeelte van het transactievoordeel dat vrijgesteld zou zijn geweest als belanghebbende er wel voor zou hébben gekozen om direct ter gelegenheid van het sluiten van de koopovereenkomst winst te nemen (men kan hier trekken in zien van een bijzondere vorm van ‘compartimentering’).
4.De wijziging van de landbouwvrijstelling per 27 juni 2000
BNB2005/77) heeft de Hoge Raad geoordeeld over de vraag onder welk regime een tot de wetswijziging van 27 juni 2000 aangroeide waardeverandering van landbouwgrond moet worden belast. Dit arrest betrof een belastingplichtige die, met het oog op de wetswijziging van de landbouwvrijstelling, op 26 juni 2000 zijn tot het ondernemingsvermogen behorende tuin en ondergrond (keuzevermogen) had overgebracht naar zijn privévermogen. De belastingplichtige trachtte de hiermee behaalde boekwinst vrij te stellen onder het oude regime van de landbouwvrijstelling. Volgens de Inspecteur kon deze overdracht echter niet eerder geschiedden dan op 27 juni 2000, de datum van inwerkingtreding van het nieuwe regime, zodat de winst belast was onder het nieuwe regime.
V-N2006/39.18) oordeelde gerechtshof ‘s-Gravenhage dat het nieuwe regime van de landbouwvrijstelling van toepassing is op de boekwinst die een belastingplichtige in 2001 (ná de wetswijziging) op zijn landbouwgrond realiseerde, ondanks dat er reeds voor de wetswijziging (29 april 2000) een koopoptie op deze grond was gevestigd. De koopoptie kon volgens het hof niet worden aangemerkt als obligatoire koopovereenkomst, zodat winstneming in 2000 volgens het hof in strijd zou zijn met goed koopmansgebruik. Het hof oordeelde: [22]
BNB2005/227) oordeelde de Hoge Raad dat het belasten van waardeveranderingen van landbouwgrond die toerekenbaar zijn aan de periode vóór de wetswijziging, niet in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol van het EVRM, omdat (i) deze waardeveranderingen niet reeds op een eerder moment in de belastingheffing zijn betrokken dan het moment nadat de wijziging in werking is getreden en (ii) de verwachting dat de wet ongewijzigd zal blijven tot het moment waarop de waardeverandering zal worden gerealiseerd, niet door het EVRM wordt beschermd. [25]
BNB2006/245) heeft de Hoge Raad met een beroep op redelijke wetstoepassing een uitzondering gemaakt op directe inwerkingtreding van het nieuwe regime van de landbouwvrijstelling. Dit arrest betrof een exploitant van een melkveehouderij die in 1997 zijn landbouwgrond aan een derde had verkocht onder de voorwaarde van een gebruiksrecht. Op grond van dit gebruiksrecht stond de verkochte grond ter beschikking aan belanghebbende tot (ten minste) 1 juli 2003. De belastingplichtige heeft de op de verkoop van de grond behaalde boekwinst aangegeven in 1997, welke hij volledig onder de landbouwvrijstelling heeft gebracht. In de aangiften over de jaren 1997, 1998 en 1999 zijn door belanghebbende geen bedragen aangegeven in verband met het gebruiksrecht. De aanslagen over deze jaren stonden ten tijde van de procedure onherroepelijk vast.
Stb.567 (hierna: de Wijzigingswet) is de regeling van de landbouwvrijstelling gewijzigd. Artikel XII werkt ingevolge artikel XV, lid 6, van de Wijzigingswet terug tot 27 juni 2000. In een geval als het onderhavige, waarin reeds vóór 27 juni 2000 de grond is verkocht doch bij die overdracht een gebruiksrecht is voorbehouden en het door de belastingplichtige gekozen stelsel van winstbepaling tot gevolg heeft dat de waarde van het gebruiksrecht (mede) na 26 juni 2000 tot de winst wordt gerekend, brengt een redelijke toepassing van de Wijzigingswet evenwel met zich dat de landbouwvrijstelling zoals die gold tot 27 juni 2000 ook van toepassing is voorzover het genot van het gebruiksrecht vanaf die datum heeft plaatsgehad.
Kamerstukken II2000-2001, 27 209, nr. 6, blz. 67-68). Ondanks deze argumenten, faalt het cassatiemiddel van de Staatssecretaris. Kennelijk vindt de Hoge Raad de omstandigheid dat de verkoop vóór 27 juni 2000 (d.w.z. onder het oude regime) heeft plaatsgevonden zo zwaar wegen dat dan ook de uitvloeisels van die transactie onder het oude regime vallen (r.o. 3.4). In het licht van het strenge overgangsrecht is dit mijns inziens een royaal gebaar richting belanghebbende.
Stb. 567 (hierna: de Wijzigingswet) is de regeling van de landbouwvrijstelling gewijzigd. Artikel XII werkt ingevolge artikel XV, lid 6, van de Wijzigingswet terug tot 27 juni 2000. Naar het oordeel van het Hof dient in een geval als het onderhavige, waarin de grond reeds vóór 27 juni 2000 is verkocht en het tijdstip van winstneming eveneens vóór 27 juni 2000 is gelegen, en waar bij die verkoop door de koper een voorwaardelijk recht is verworven waarvan de waarde ten onrechte niet in de vóór 27 juni 2000 gerealiseerde (stakings-) winst is opgenomen, een redelijke toepassing van de Wijzigingswet met zich te brengen dat de landbouwvrijstelling zoals die gold tot 27 juni 2000 ook van toepassing is voorzover de waarde van dat recht, met toepassing van de foutenleer, alsnog op een ná 26 juni 2000 gelegen tijdstip in aanmerking wordt genomen (vergelijk Hoge Raad, 7 september 2007, nr. 42676, LJN BB3077, V-N 2008/15.11). Derhalve kan naar het oordeel van het Hof in de onderhavige situatie, op het gehele in 2003 in de winst te betrekken voordeel van € 125.000, de landbouwvrijstelling zoals deze luidde tot 27 juni 2000 worden toegepast, zodat dat voordeel in het geheel is vrijgesteld.
5.Welke WEVAB?
6.Beschouwing
BNB2005/77). [38] Het gevolg hiervan is dat waardeveranderingen die na 27 juni 2000 worden gerealiseerd, in beginsel onder het ‘nieuwe’ regime van de landbouwvrijstelling moeten worden belast.
BNB2013/177 oordeelde de Hoge Raad ter zake van de gewijzigde deelnemingsvrijstelling dat wanneer de wetgever geen overgangsrecht heeft geformuleerd, uitgegaan moet worden van onmiddellijke werking van de gewijzigde bepaling (HR
BNB2013/177). [39]
BNB2006/245) [40] en de uitspraak van gerechtshof Arnhem van 6 maart 2012 (
V-N2012/909). [41]
BNB2006/245) was dit een overeenkomst waarin ten behoeve van de verkopende partij een gebruiksrecht op de landbouwgrond werd gevestigd. Dit gebruiksrecht moest volgens het hof in die procedure worden toegerekend aan meer jaren, zodat de vrijval van dit recht deels vóór en deels ná de wetswijziging werd gerealiseerd. Dat in dit geval ook het deel dat ná de wetswijziging werd gerealiseerd, onder het oude regime van de landbouwvrijstelling kon worden vrijgesteld, was volgens de Hoge Raad gerechtvaardigd omdat (i) de verkoop van de grond reeds plaatsvond vóór de wetswijziging in 2000 en (ii) een deel van het gebruiksrecht (mede) na de wetswijziging was gerealiseerd.
V-N2012/909) was een overeenkomst gesloten waarin ten behoeve van de verkopende partij een voorwaardelijk recht op aankoop van twee percelen grond was gevestigd (aan te merken als overeenkomst onder opschortende voorwaarde). De verkopende partij had dit voorwaardelijke recht ten onrechte niet verantwoord in 2000 (het jaar waarin zijn onderneming werd gestaakt), maar in 2003 (ná de wetswijziging). De reden dat (ook) in dit geval de vrijval van het voorwaardelijke recht onder het oude regime van de landbouwvrijstelling kon worden vrijgesteld, was volgens het hof (i) dat de ter zake van de verkoop van de grond gerealiseerde boekwinst reeds in aanmerking was genomen vóór de wetswijziging en (ii) het voorwaardelijke recht
ten onrechteniet was verantwoord in 2000.
V-N2006/39.18). [42]
BNB2005/77, [45] niet latent maar reëel; aan haar bestaan doet niet af dat opneming in de fiscale winst op een later moment mag plaatsvinden.
BNB2005/227. [47] Maar die tegenwerping ziet op rechtsfeiten die zich later voordoen. In dit geval gaat het om reeds behaalde winst.
BNB1998/212). In deze zaak was aan een belastingplichtige in 1989 een verhoging opgelegd wegens een in 1989 begaan strafbaar feit (het via het opmaken van valse facturen ten onrechte terugvragen van omzetbelasting). De belastingplichtige had de verhoging voldaan in 1989 en in dit jaar tevens in aftrek gebracht op zijn winst. In 1991 is de belastingplichtige strafrechtelijk veroordeeld voor het opmaken van de valse facturen. In verband hiermee is aan de belastingplichtige de eerder afgedragen verhoging terugbetaald. In geschil was of deze terugbetaling bij de belastingplichtige belast was, nu sinds 1 januari 1991 geldboeten niet langer aftrekbaar waren. De wetgever had ter zake van deze wijziging geen overgangsrecht geformuleerd.
BNB2015/204), waarin ter zake van de 30%-regeling is geoordeeld dat de beoordeling of een ingekomen werknemer aan de voorwaarden voor toepassing van deze regeling voldoet, plaats moet vinden aan de hand van de wettelijke voorschriften die gelden op het moment dat de arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. [49] Dit is volgens de Hoge Raad ook het geval indien het verzoek om toepassing later wordt gedaan en de regeling inmiddels is gewijzigd. Ook in deze zaak wordt, in dit geval op grond van de ratio van de regeling, een ‘oud’ regime toegepast, omdat de arbeidsovereenkomst (het aanknopingspunt c.q. het rechtsfeit voor toepassing van de regeling) is aangegaan op een moment voordat de wetswijziging heeft plaatsgevonden.