Belanghebbende, een onderneming in potplanten, verkocht in 2004 percelen tuinbouwgrond met opstallen. Door bodemverontreiniging en voorkeursrecht van de gemeente werd de levering uitgesteld tot 2008, waarbij aanvullende overeenkomsten nadere afspraken bevatten.
Het Gerechtshof Den Haag oordeelde dat voor de landbouwvrijstelling het vrijgestelde vervreemdingsvoordeel moet worden bepaald op basis van de WEVAB ten tijde van de koopovereenkomst in 2004, en niet op het moment van levering in 2008.
Belanghebbende stelde in cassatie dat de WEVAB bij levering gehanteerd had moeten worden, omdat het voordeel toen volgens goed koopmansgebruik in de winst was verwerkt. De Hoge Raad verwierp dit, stellende dat de WEVAB altijd moet worden bepaald op het tijdstip van de koopovereenkomst, om willekeur te voorkomen.
De overige middelen faalden eveneens en de Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.