Uitspraak
de erven van wijlen [A] ,in leven wonende te
[Z], tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
Arnhemvan 14 november 1966, betreffende de aan
wijlen [A]opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1960;
12.757,60
Hoge Raad
Belanghebbenden, waaronder wijlen [A], waren betrokken bij de ontwikkeling en exploitatie van een spitmachine en maakten aanzienlijke ontwikkelingskosten. Deze kosten werden deels geactiveerd en deels als verlies genomen. In 1960 werd het bedrijf omgezet in een naamloze vennootschap, waarbij rechten en verplichtingen werden overgedragen aan N.V. Rotagra en M.&M.
De Inspecteur stelde dat de winst uit de overdracht van de ontwikkelingskosten als winst uit vervreemding van een bedrijfsmiddel moest worden belast, waarbij de winstneming plaatsvond bij het ontstaan van de vordering op Rotagra N.V. i.o. Belanghebbenden voerden aan dat winstneming uitgesteld kon worden tot het moment van daadwerkelijke betaling of overdracht.
Het Hof oordeelde dat de exclusieve rechten op de spitmachine sinds 1959 als bedrijfsmiddel moesten worden beschouwd en dat goed koopmansgebruik vereist dat de winst wordt genomen bij het ontstaan van de vordering, niet later. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep, waarbij tevens werd geoordeeld dat het Hof niet verplicht was investeringsaftrek toe te passen of vervroegde afschrijving toe te staan.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat winst uit overdracht van ontwikkelingskosten als bedrijfsmiddel bij het ontstaan van de vordering moet worden genomen en wijst het cassatieberoep af.