Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
BNB1996/277 en HR
BNB2014/50.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten en loop van het geding
3.Het geding in cassatie
BNB2007/192 en HR
BNB2010/334 (hieronder, 4.8 en 4.9, geciteerd) acht hij niet vergelijkbaar omdat in die zaken de belanghebbenden zelf schepen (ver)bouwden en op die (ver)bouw winst behaalden, welke winst (nog) geen zeescheepvaart-exploitatiewinst opleverde. Belanghebbende(s) onderneming daarentegen heeft slechts tot doel de exploitatie van een door derden te bouwen schip. Zij heeft slechts in de opstartfase van scheepvaartondernemingen een bestelling gedaan voor een te bouwen schip met het oog op de exploitatie daarvan. Minstens was in 2009 al sprake van “werkzaamheden die direct samenhangen met de exploitatie van een schip” in de zin van art. 3.22(4)(b) Wet IB 2001) en van uitgaven met het oog op scheepsexploitatie. [3]
verweerbetwist de belanghebbende dat al in 2009 winst uit zeescheepvaart zou zijn genoten en dat de TWA in de weg zou staan aan toepassing van het tonnageregime vanaf 2010. Zij ziet geen strijd met doel en strekking van de belastingheffing over de winst: [5]
Finanzamt Linz, af dat de nationale rechter gehouden kan zijn het verbod tot uitvoering van steunmaatregelen ex art. 108(3) VwEU te handhaven. [13] Zij meent echter dat haar situatie voldoende verschilt van die in
Finanzamt Linz, zodat het uitvoeringsverbod van art. 108(3) VwEU niet aan de orde is.
BNB2010/334 (hieronder, 4.9, geciteerd) volgt dat de exploitatie aanvangt op het moment waarop het schip daadwerkelijk in gebruik wordt genomen. Voorts kan volgens de belanghebbende pas na ingebruikname worden beoordeeld of wordt voldaan aan alle voorwaarden ex art. 3.22(4) en (5) Wet IB 2001, nu bijvoorbeeld het vlagvereiste vaak een onzekere factor is. In casu is pas sprake van eigendom van het schip vanaf de datum van oplevering door de werf, die pas zeer kort voor de ingebruikneming van de [C] heeft plaatsgevonden, aldus de belanghebbende. Een en ander leidt volgens haar tot de conclusie dat winstbepaling aan de hand van de tonnage niet eerder kán ingaan dan bij de daadwerkelijke ingebruikneming van het schip. Dat volgens art. 3.22(3) Wet IB 2001 bij toekenning het tonnageregime geldt “met ingang van het jaar waarin het verzoek is gedaan,” doet daar volgens de belanghebbende niet aan af, nu dat niet betekent dat de winst die vóór ingebruikneming van de [C] is behaald, geldt als winst behaald met de exploitatie van een zeeschip ex art. 3.22 Wet IB 2001. Volgens haar gelden van 1 januari tot 2 maart 2010 de normale winstbepalingsregels, inclusief willekeurige afschrijving.
per 2 maart 2010verzocht en dat met toekenning per 1 januari 2010 dat verzoek niet is ingewilligd, zodat het regime alsdan niet geldt. Ik begrijp dit betoog aldus dat als haar verzoek om toepassing per 2 maart 2010 niet wordt ingewilligd, zij haar verzoek intrekt (dat zij geen tonnageregime wenst als het ingaat per 1 januari 2010) en alsdan het normale winstbepalingsregime inclusief versnelde afschrijving wenst voort te zetten. In dat geval heeft zij aanspraak op 50% afschrijving in 2010.
verweerstelt de Staatssecretaris voorop dat u alleen toekomt aan het subsidiaire standpunt van de belanghebbende als ’s Hofs oordeel in stand blijft dat pas vanaf 2 maart 2010 sprake is van zeeschipexploitatie ex art. 3.22(5) Wet IB 2001,
i.e.als het cassatie-beroep van de Staatssecretaris faalt. Alsdan is de Staatssecretaris het met Rechtbank en Hof eens dat uit art. 3.22(3) Wet IB 2001 duidelijk volgt dat een in een jaar gedaan verzoek bij inwilliging altijd terugwerkt tot het begin van het jaar. Hij voegt daar aan toe:
repliekacht de belanghebbende onbegrijpelijk dat de gevraagde beschikking niet eenvoudig wordt geweigerd. Haar komt het vreemd voor dat een belastingplichtige die iets vraagt wat volgens de Belastingdienst niet kan een “willekeurige” andere beschikking kan krijgen zonder dat de belastingplichtige kan aangeven daarop geen prijs te stellen. Daarbij komt dat weigering van de beschikking ook de door de Staatssecretaris niet-gewenste regimesamenloop voorkomt.
binnen2010)) leidt tot (i) strijd met doel en strekking van de wettelijke regeling van de fiscale winstbepaling, dan wel (ii) overtreding van het Europeesrechtelijke staatssteunverbod.
4.De tonnageregeling (art. 3.22 t/m 3.24 Wet IB 2001)
A. Wet- en regelgeving
BNB2007/192 [31] betrof een exploitant van zeeschepen die een scheepswerf opdracht had gegeven tot de bouw van een schip dat op 27 mei 1997 werd opgeleverd en in de vaart werd genomen. Het werd geëxploiteerd door een op 24 juni 1996 opgerichte CV. De belanghebbende was beherend vennoot en koos voor haar aandeel in het schip per 1 januari 1996 voor de tonnageregeling. De belanghebbende was nauw bij de bouw van het schip betrokken en deed gedurende de bouw diverse werkzaamheden voor de werf, met name (i) mede ontwikkelen, ontwerpen en bouwen van een rendabel schip voor containertransport, (ii) doorvoeren van aanpassingen, zoals wijziging van het ontwerp van 7000 ton in 9000 ton, het aanpassen van de motor van 6-cilinder naar 8-cilinder en ontwikkeling van electrisch-hydraulische luiken voor snel laden en lossen, (iii) besprekingen met de Technische Universiteit Eindhoven en laboratoria in Duitsland en (iv) onderhandelingen met onderaannemers. De belanghebbende had daarvoor een vergoeding ontvangen van de werf. In geschil was of deze in de tonnagegrondslag was begrepen. U overwoog:
1.Meta data
FED2007/32:
BNB2010/334 [33] betrof een cruiseschip. De belanghebbende had als moeder van een fiscale eenheid (middellijk) een belang in een vennootschap onder firma die in 2002 de eigendom verkreeg van een schip dat daarna werd omgebouwd en pas in 2005 in gebruik werd genomen. De belanghebbende heeft in 2005 verzocht om de met het schip behaalde winst te bepalen aan de hand van de tonnageregeling. Het Hof had geoordeeld dat het verzoek om de tonnageregeling ex art. 3.22(2) Wet IB 2001 tijdig was gedaan, overwegende dat voor de vraag in welk jaar een onderneming winst uit zeescheepvaart is gaan genieten, aangeknoopt moet worden bij het jaar waarin die onderneming één of meer schepen daadwerkelijk voor één van de art. 3.22(4)(a) Wet IB 2001 vermelde bestemmingen in gebruik heeft genomen en dat dit in casu 2005 was. Tijdens de verbouwing in de eerdere jaren werd dus volgens het Hof nog geen winst uit zeescheepvaart genoten. U overwoog over het daartegen gerichte cassatiemiddel:
BNB2012/225 [34] was als moedermaatschappij van een fiscale eenheid met haar dochters A en B betrokken bij de financiering en exploitatie van scheepvaart-cv’s. In geschil was of A’s werkzaamheid (het bijeenbrengen van kapitaal voor de scheepvaart-cv's en daaraan dienstige werkzaamheden) onder de tonnageregeling viel. Het Hof had geoordeeld dat deze werkzaamheden geen exploitatie van een schip zijn in de zin van art. 3.22(4)(a) Wet IB 2001, noch daarmee direct samenhangen in de zin van art. 3.22(4)(c) Wet IB 2001. U verwierp de daartegen voorgestelde middelen en overwoog:
BNB2014/192 [35] - het arrest waarin u ook onverwacht [36] HR
BNB1960/34 [37] herriep - ging het om een belanghebbende die voor eigen rekening een schip had laten bouwen en de economische eigendom ervan met een winstopslag had ingebracht in een voor de exploitatie opgerichte scheepvaart-CV en aldus een overdrachtswinst had behaald. Zij was beherend vennoot van de CV en had kosten gemaakt voor de oprichting van de CV, het plaatsen van de commanditaire participaties en de aanschaf van de eerste uitrusting van het schip; zij had deze kosten met een winstopslag doorberekend aan de CV en ook daarmee winst behaald. Haar verzoek om de tonnageregeling was toegewezen per 1 maart 2001, maar niet voor de genoemde winsten. Het Hof had belanghebbendes standpunt dat ook die winsten onder het tonnageregime vielen verworpen, daartoe onder meer verwijzende naar HR
BNB2012/225. U bevestigde ’s Hofs oordeel:
V-N2014/36.16):
BNB2014/192:
5.Welk jaar is “het eerste jaar” waarin zeescheepvaartwinst wordt genoten?
BNB2010/334. Dat de CV’s reeds vóór die datum kosten maakten en willekeurig afschreven op hun investeringen in de zeeschepen, deed daaraan volgens hem niet af.
BNB2010/334 (zie 4.9), HR
BNB2007/192 (zie 4.8) en de overige in onderdeel 4.C hierboven aangehaalde arresten het betoog van de Staatssecretaris niet steunen; integendeel; die rechtspraak steunt ’s Hofs oordeel dat als uitgangspunt pas vanaf de ingebruikname sprake is van de exploitatie van een zeeschip en van winst uit die exploitatie. Als – zoals uit die jurisprudentie blijkt – het zelf (mede) ontwerpen of (ver)bouwen van een zeeschip met het oog op de exploitatie ervan geen exploitatie van een zeeschip is in de zin van art. 3.22 Wet IB 2001, noch een rechtstreeks daarmee samenhangende werkzaamheid, dan valt mijns inziens niet in te zien waarom, zoals de Staatssecretaris wil,
bestellingvan een ontwerp en de bouw van een zeeschip met het oog op dezelfde exploitatie wél dergelijke exploitatie of daarmee rechtstreeks samenhangende werkzaamheid zou opleveren. De Staatssecretaris miskent mijns inziens de vaste jurisprudentie dat sprake moet zijn van feitelijke
exploitatievan het schip. Tijdens het ontwerp en de bouw is daarvan in beginsel nog geen sprake. In beginsel moet het ding – op zee –
varenom het te kunnen exploiteren in de zeescheepvaart.
6.Welke ingangsdatum heeft een toegekend tonnageregimeverzoek?
De tijdelijke willekeurige afschrijving (TWA) en dier samenloop met de tonnageregeling
claw backopgenomen (tekst 2010):
.Wanneer op enig moment niet meer aan deze voorwaarde wordt voldaan, wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de boekwaarde van het zeeschip gesteld op de boekwaarde die zou zijn bereikt indien geen willekeurige afschrijving zou hebben plaatsgevonden. Geregeld is dat in dat geval eerst deze ophoging van de boekwaarde moet plaats vinden en pas daarna de winstberekening die is voorgeschreven in artikel 3.23, tweede lid, van de Wet IB 2001.”
www.rijksoverheid.nl. [55] De belanghebbende heeft de bijlagen A5 [56] en B1 ingebracht in de procedure voor het Hof. Bijlage B1 is een interne notitie voor de Staatssecretaris van Financiën over “samenloop tonnageregime en tijdelijke willekeurige afschrijving” van 4 maart 2011. Deze notitie bevat het beslispunt: “Gaat u ermee akkoord dat verzoeken om afgifte van een tonnagebeschikking in 2011 voor schepen waarop in 2009 en 2010 tijdelijk willekeurig is afgeschreven niet worden ingewilligd?”. De toelichting luidt:
NTFR2015/292 schrijft dat deze beleidslijn in strijd luidt met uw arrest HR
BNB2010/334 en nooit is vastgelegd in een beleidsbesluit.
Is combinatie van TWA en tonnageregime staatssteun? Taak van de nationale rechter
-maatschappen) door middel van een selectieve gunstige fiscale behandeling. Derhalve kan dan ook niet gesteld worden dat sprake is van een fiscale steunmaatregel in de zin van artikel 107, lid 1, van het VwEU.”
Transalpine Ölleitung [68] vroeg het Oostenrijkse
Verwaltungsgerichtshofhet HvJ EU of art. 88(3) EG-verdrag (thans art. 108(3) VwEU) inhoudt dat het de nationale rechterlijke instanties ook verbiedt een maatregel die staatssteun kan zijn en niet is aangemeld toe te passen nadat de Commissie de maatregel achteraf verenigbaar met de interne markt heeft verklaard. Het HvJ EU overwoog (r.o. 36) dat de toezichtregeling voor staatssteun een taak is van de Commissie en ook van de nationale rechterlijke instanties. Daarbij kan het nodig zijn dat de nationale rechter de term ‘steunmaatregel’ (thans art. 107(1) VwEU) uitlegt:
Fédération nationale du commerce extérieur des produits alimentaires, Syndicat national des négociants en transformateurs de saumon [69] volgt dat de nationale rechter zonodig van ambtswege onderzoekt of sprake is van niet-aangemelde steun:
Commission notice on the enforcement of State aid law by national courts [72] verduidelijkt de rol van de nationale rechter in staatssteunzaken en biedt hem praktische handvatten. Die
Noticevermeldt als onderwerp waarover hij de Commissie kan raadplegen:
BNB2011/247. [77]
Samenloop en staatssteun; beoordeling van de subsidiaire standpunten en ambtshalve
niet-scheepvaartwinsten die aan de orde waren in HR
BNB2010/334 en HR
BNB2007/192 (zie 4.9 en 4.8 hierboven) wél onder de tonnageregeling zouden vallen, hetgeen ook volgens de Staatssecretaris niet de bedoeling van de wetgever is.
nietals het per 1 januari ingaat. Zij wil het alleen als het op 2 maart ingaat. Als dat verzoek wordt afgewezen – en dat wordt het – dan geldt het tonnageregime haars inziens niet in 2010, zodat het gewone winstbepalingsregime inclusief TWA geldt en zij de tweede tranche van 50% versnelde afschrijving kan nemen in 2010.
nochTWA,
nochtonnageregime wil toekennen. Voor dat standpunt zie ik geen rechtsgrond.