ECLI:NL:HR:2012:BV8203
Hoge Raad
- Cassatie
- J.A.C.A. Overgaauw
- D.G. van Vliet
- C.B. Bavinck
- C.H.W.M. Sterk
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Navorderingsaanslag vennootschapsbelasting en toepassing tonnageregeling op scheepvaart-cv's
Belanghebbende, moedermaatschappij van een fiscale eenheid, kreeg een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting opgelegd over 2006, welke na bezwaar en beroep door rechtbank en hof werd bevestigd. De kern van het geschil betrof de vraag of de tonnageregeling van artikel 3.22 Wet IB 2001 van toepassing was op de werkzaamheden van de scheepvaart-commanditaire vennootschappen (cv's).
De Hoge Raad overwoog dat de werkzaamheden van de dochtermaatschappij A, die bestonden uit het bijeenbrengen van kapitaal en het optreden als beherend vennoot in de opstartfase van de scheepvaart-cv's, niet kwalificeren als exploitatie van een schip of daarmee direct samenhangend in de zin van artikel 3.22, lid 4, Wet IB 2001. De latere toetreding van dochtermaatschappij B als commanditair vennoot viel wel onder het regime van artikel 3.22.
De middelen van belanghebbende die stelden dat het hof een onjuiste maatstaf hanteerde, werden verworpen. De Hoge Raad vond dat het hof terecht oordeelde dat de werkzaamheden slechts betrekking hadden op het tot stand brengen van een samenwerkingsverband en niet op exploitatie van schepen. Het beroep in cassatie werd daarom ongegrond verklaard.
Proceskosten werden niet aan belanghebbende opgelegd. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en vier raadsheren op 15 juni 2012.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting bevestigd.