Conclusie
Voorwaardelijke verzoek
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak werd verzoeker door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch veroordeeld wegens bedreiging. Tijdens het hoger beroep verzocht de verdediging om twee getuigen, die eerder door de politie waren gehoord maar niet onder ede, opnieuw te horen. Het hof wees dit verzoek toe, maar de getuigen verschenen niet bij de raadsheer-commissaris ondanks persoonlijke oproepingen en een bevel tot medebrenging. Het hof wees daarop het voorwaardelijk verzoek tot het horen van deze getuigen af, omdat het onaannemelijk was dat zij binnen een aanvaardbare termijn zouden verschijnen.
De verdediging stelde cassatie in tegen deze afwijzing. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de juiste maatstaf had toegepast, namelijk dat afzien van oproeping mogelijk is als het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn verschijnt. Echter, het hof had onvoldoende gemotiveerd waarom het onaannemelijk was dat de getuigen zouden verschijnen, terwijl zij een vaste woon- of verblijfplaats hadden en slechts eenmaal niet waren aangetroffen. Ook was onvoldoende onderzocht of hernieuwde oproepingen mogelijk waren.
De Hoge Raad benadrukte dat het belang van een snelle en doelmatige procesvoering moet worden afgewogen tegen het verdedigingsbelang. Het niet verschijnen van een getuige leidt niet automatisch tot afzien van oproeping; er moeten voldoende inspanningen zijn verricht om de getuige te laten verschijnen. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en beoordeling van het verzoek tot het horen van de getuigen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.