Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van de prejudiciële vraag
rechtstreeksbetrekking heeft (art. 798 lid 1 Rv Pro, onderstreping toegevoegd).
met het gezag belasteouder of de minderjarige van twaalf jaren of ouder (art. 256 lid 4 BW Pro). De toelichting op deze bepaling vermeldt dat een ouder die het gezag niet uitoefent, of de pleeg- of stiefouder, niet het recht krijgt opheffing van de ondertoezichtstelling te verzoeken. De toelichting geeft hiervoor de volgende reden:
niet(mede) het gezag over de betrokken minderjarige uitoefent, geen in rechte te respecteren belang bij een verzoek tot opheffing van die ondertoezichtstelling.
niethet gezag uitoefent en die wil optreden in de positie van verweerder in eerste aanleg of als appellant niet zijnde de oorspronkelijke verzoeker.
family lifetussen die broer en de uit huis te plaatsen minderjarigen. De Hoge Raad overwoog dienaangaande:
niet(mede) het gezag uitoefent, door de verzochte ondertoezichtstelling niet
rechtstreeksin zijn rechten getroffen. Hij is hoogstens indirect bij de zaak betrokken [18] . In de appelrechtspraak sinds 21 mei 2010 is de problematiek meermalen aan de orde geweest [19] . Zonder pretentie van volledigheid noem ik:
- Hof ’s-Hertogenbosch 22 februari 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BP7373;
- Hof ’s-Hertogenbosch 15 juni 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ8922;
- Hof ’s-Hertogenbosch 14 augustus 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX7345;
- Hof Leeuwarden 13 december 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BZ0192;
- Hof Arnhem-Leeuwarden 15 januari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ0169;
- Hof Den Haag, 5 juni 2013, GHDHA:2013:CH3720;
- Hof Arnhem-Leeuwarden 6 juni 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:4028;
- Hof Arnhem-Leeuwarden 1 augustus 2013, GHARL:2013:5757;
- Hof Arnhem-Leeuwarden 26 september 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:7210;
- Hof Arnhem-Leeuwarden 20 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:10090;
- Hof Arnhem-Leeuwarden 4 februari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:741.
niethet gezag uitoefent in de procedure in eerste aanleg is beschouwd als ‘belanghebbende’ in de zin van art. 798 lid 1 Rv Pro, met alle procedurele rechten van dien, en deze ouder in hoger beroep alsnog te horen krijgt dat hem of haar niet de status van ‘belanghebbende’ toekomt. Dit kan gebeuren wanneer die ouder hoger beroep instelt en de appelrechter de ontvankelijkheid van het hoger beroep beoordeelt op de voet van art. 806 Rv Pro. Het kan ook gebeuren indien het hoger beroep is ingesteld door een ander, wanneer de appelrechter moet beoordelen of een ouder die niet het gezag uitoefent als ‘belanghebbende’ in de zin van art. 798 lid 1 Rv Pro moet worden aanvaard in de appelprocedure. De geciteerde vuistregel in art. 2.3 Procesreglement civiel jeugdrecht lokt enigszins uit, dat in procedures in eerste aanleg betreffende een verzoek tot (verlenging van een) ondertoezichtstelling een ouder standaard steeds door de griffie als ‘belanghebbende’ wordt opgeroepen voor de mondelinge behandeling en in de gelegenheid wordt gesteld een verweerschrift in te dienen, ook al oefent hij niet het gezag uit. Het probleem van de teleurgestelde verwachting om in appel te mogen meeprocederen kan niet worden opgelost in deze prejudiciële procedure. Uit de aangehaalde rechtspraak volgt dat rechters in voorkomend geval gebruik maken van hun wettelijke bevoegdheid om een ouder die niet het gezag uitoefent te horen als informant, d.w.z. als een persoon “wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn”. Een erkenning als ‘belanghebbende’, met alle procedurele bevoegdheden van dien, is daarin niet gelegen.
rechtstreeksbetrekking heeft. Zoals gezegd (alinea 2.5) volgt uit de parlementaire geschiedenis dat het in dit verband ook kan gaan om rechten die worden ontleend aan rechtstreeks in de nationale rechtsorde toe te passen bepalingen in verdragen, zoals art. 8 EVRM Pro. Naar aanleiding van de beschikking van 21 mei 2010 heeft Forder betoogd, samengevat, dat het uit elkaar halen van het gezin in het kader van de verzochte uithuisplaatsing schade kan veroorzaken aan het gezinsleven waarin de broer en de uit huis te plaatsen minderjarigen banden met elkaar onderhielden. Langs die weg zou de broer, ook al was hij niet belast met het ouderlijk gezag, toch rechtstreeks worden getroffen in een door art. 8 EVRM Pro beschermd recht [20] . Forder heeft gewezen op rechtspraak van het EHRM over art. 6 en Pro art. 8 EVRM Pro. Hoewel de tekst van art. 8 EVRM Pro geen procedurevoorschriften bevat, houdt het vereiste respect voor het
family lifein dat bij belangrijke kinderbeschermingsbeslissingen de ouders in beginsel in de besluitvorming worden betrokken [21] .
als zodanignog geen beperking op van de uitoefening van diens recht op
family lifemet het kind. Uit het EVRM volgt dat de nationale wet in beginsel de biologische ouder een mogelijkheid moet bieden om (mede) het gezag over te verkrijgen. In die mogelijkheid voorziet de Nederlandse wet. Volgens art. 1:252 BW Pro kunnen de ouders via een aantekening bewerkstelligen dat zij samen het gezag uitoefenen. Uit art. 1:253c BW volgt hoe een vader aan de rechtbank kan verzoeken om de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Uit art. 8 EVRM Pro vloeit voort, dat een ouder die zich op
family lifemet het kind kan beroepen in beginsel recht heeft op omgang met zijn kind en op informatie en consultatie over belangrijke zaken die het kind aangaan. Deze rechten zijn bepaald in art. 1:377a en 1:377b BW en worden niet aangetast doordat een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken of verlengd. Indien Bureau Jeugdzorg bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling een wijziging van de omgangsregeling nodig acht, kan het Bureau Jeugdzorg zich op de voet van art. 1:263b BW tot de kinderrechter wenden.
family lifewellicht de meest aangewezen route.