Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft het hoger beroep van de vader tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van zijn minderjarige kind, [kind 1]. De moeder is belast met het ouderlijk gezag en het kind verblijft sinds enige tijd in een gezinshuis. De vader had een omgangsregeling maar oefent geen gezag uit.
In eerste aanleg werd de machtiging tot uithuisplaatsing door de kinderrechter verleend en meerdere malen verlengd. De vader betwistte deze verlenging en stelde zich ontvankelijk in zijn verzoek tot hoger beroep.
Het hof overwoog dat op grond van artikel 798 lid 1 Rv Pro en artikel 1:261 BW Pro alleen de gezagsdrager of degene die het kind als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt als belanghebbende kan worden aangemerkt. Omdat de vader niet het gezag heeft en het kind niet als behorend tot zijn gezin verzorgt, kan hij niet als belanghebbende worden beschouwd.
Daarom verklaarde het hof de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot hoger beroep tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De beschikking werd in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2014.
Uitkomst: De vader is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van zijn kind.