ECLI:NL:PHR:2014:536
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid aandeelhouder voor vennootschapsbelasting na aandelenverkoop en vrijval herinvesteringsreserve
Belanghebbende was tot eind 2004 enig bestuurder en aandeelhouder van [A] B.V., die in 2000 haar onderneming had verkocht en een herinvesteringsreserve (hir) had gevormd. Eind 2004 verkocht belanghebbende zijn aandelen aan [B] B.V., die de koopprijs betaalde door overname van een schuld aan de BV. De BV kocht op 30 december 2004 appartementen van een derde, maar levering vond nooit plaats. De Inspecteur stelde dat de hir in 2004 was vrijgevallen en rekende deze bij de winst, waarop aanslag vennootschapsbelasting volgde die onbetaald bleef. De BV en [B] B.V. werden failliet verklaard. De ontvanger stelde belanghebbende aansprakelijk op grond van artikel 40 Invorderingswet Pro 1990.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de aansprakelijkheid terecht was vastgesteld, dat de lening aan belanghebbende als belegging moest worden aangemerkt, en dat de hir in 2004 was vrijgevallen omdat het nieuwe bestuur geen reëel herinvesteringsvoornemen had. Belanghebbende voerde onder meer aan dat de vordering geen belegging was, dat de vermogensvermindering niet juist was beoordeeld, en dat hij zich op disculpatie kon beroepen omdat hij voldoende onderzoek had gedaan. Deze verweren werden verworpen.
De Hoge Raad bevestigt dat de vordering op de aandeelhouder als belegging moet worden aangemerkt, dat de hir in 2004 terecht is vrijgevallen, en dat belanghebbende onvoldoende zorgplicht heeft betracht om zich te disculperen. Ook de klachten over informatievoorziening en het uitstelbeleid worden verworpen. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aansprakelijkstelling voor de vennootschapsbelasting 2004 wordt bevestigd.