Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten
3.Geding voor de Rechtbank en het Hof
4.Het geding in cassatie
5.Middel I: Beschikking?
stelt de inspecteur de hoogte van de bijdrage over het desbetreffende kalenderjaar vast bij beschikking en wordt het verschil met de over dat kalenderjaar verstrekte bijdrage uitbetaald, teruggevorderddan wel verrekend met omzetbelasting (…)”
Deze rechtsgang is van toepassing op beslissingen van de inspecteur waarbij deze afwijkt van de opgave,waarbij hij na afloop van het kalenderjaar de bijdrage over dat jaar vaststelt en
die waarbij de inspecteur de bijdrage over een eerder kalenderjaar corrigeert omdat daarvoor voor een hoger of lager bedrag bijdrage is verstrekt dan waarop op grond van deze wet recht bestaat.”
Middel II: Compensatie of niet: de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel h, van de Wet OB
door een ondernemer [25] aan het publiekrechtelijk lichaam (…) in rekening is gebracht(…) ter zake van aan hem verrichte leveringen en verleende diensten; (…)
ruimerwas dan de reikwijdte die voormelde kan-bepaling biedt. Het bepaalde in artikel 28, lid 3, onder b, van, respectievelijk de posten van Bijlage F bij de Zesde richtlijn en artikel 371 van Pro en Bijlage X bij de btw-richtlijn, geven naar het mij voorkomt het maximale bereik van de handhaafbare vrijstelling, c.q. van de handhaafbaarheid van de vrijstelling.
anders dan in het kader van zijn onderneming.
anders dan als BTW-ondernemer. (…)”
7.Middel III: Guldensteekproef en overtuigend bewijs
blijktdat tot een hoger (of lager) bedrag bijdrage is verstrekt dan waarop het publiekrechtelijke lichaam recht heeft.
overtuigendbewijs levert . [46]
feiten zijn pas gebleken wanneer ze overtuigend zijn aangetoond.(…)
Redelijke twijfel moet dan zijn uitgesloten, zij het dat niet geëist kan worden dat iedere andere mogelijkheid ondenkbaar is.(…) Het overtuigende bewijs kan worden geleverd op
alle mogelijke manieren.”