ECLI:NL:HR:2004:AO4209

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 februari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
39136
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 5 Zesde richtlijnArt. 32 Wet op de omzetbelasting 1968
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof inzake naheffingsaanslag omzetbelasting en verwijst zaak terug

Belanghebbende, een handelsagent in metalen, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over het tijdvak oktober 1999 tot en met december 2000. Deze aanslag werd gehandhaafd na bezwaar en het Hof verklaarde het beroep ongegrond. Het Hof oordeelde dat belanghebbende leveringen had verricht aan Spaanse afnemers, maar stelde niet vast dat zij als eigenaar over de goederen kon beschikken.

In cassatie betoogde belanghebbende dat sommige transacties niet in Nederland maar in Duitsland waren verricht en dat het Hof ten onrechte vond dat zij dit onvoldoende aannemelijk had gemaakt. De Hoge Raad overwoog dat het Hof geen feiten had vastgesteld waaruit bleek dat belanghebbende de macht had om als eigenaar over de goederen te beschikken, wat noodzakelijk is voor leveringen in de zin van de Wet op de omzetbelasting.

Verder stelde de Hoge Raad dat het begrip 'aantonen' in artikel 32 van Pro de Wet op de omzetbelasting moet worden opgevat als 'aannemelijk maken'. Belanghebbende had bescheiden overgelegd die dit aannemelijk maakten, maar het Hof had dit onvoldoende meegewogen. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. Tevens werd de Staat veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.

Uitspraak

Nr. 39.136
20 februari 2004
whk
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 oktober 2002, nr. BK-01/02412, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 oktober 1999 tot en met 31 december 2000 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 8.347.820, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende treedt ingevolge een met D A.G. te R (Liechtenstein) gesloten 'agency-agreement' op als handelsagent in metalen. Zij ontvangt 5 percent van de behaalde "gross profit".
3.1.2. De betreffende hoeveelheden metalen worden betrokken van E Ltd. (hierna: E) en vervolgens - overeenkomstig daartoe van E verkregen instructies - verkocht en geleverd aan in Spanje gevestigde afnemers.
3.2. Het Hof is er blijkens zijn vaststellingen van uitgegaan dat de hoeveelheden metalen door E aan belanghebbende zijn geleverd en dat belanghebbende die hoeveelheden op haar beurt heeft (door)geleverd aan de Spaanse afnemers. Het Hof heeft voorts kennelijk geoordeeld dat het daarbij ging om leveringen in de zin van artikel 3 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) en artikel 5 van Pro de Zesde richtlijn.
Het tweede middel, dat zich tegen dit oordeel keert, slaagt, aangezien van zodanige leveringen slechts sprake is indien belanghebbende de macht had om als eigenaar over de goederen te beschikken en het Hof geen feiten of omstandigheden heeft vastgesteld waaruit zulks zou kunnen volgen.
3.3. Voor het Hof heeft belanghebbende aangevoerd dat een aantal van de transacties - de transacties, aangeduid met de nummers 113, 120 tot en met 124, 131 en 147 - ten onrechte in de heffing zijn betrokken omdat deze betrekking hebben op leveringen welke in Duitsland zijn verricht. Het Hof heeft overwogen dat belanghebbende gelet op het bepaalde in artikel 32 van Pro de Wet dient aan te tonen dat deze leveringen niet in Nederland zijn verricht, maar dat zij daarin niet is geslaagd. Dat oordeel wordt in het zevende middel bestreden.
3.4. Opgemerkt dient te worden dat artikel 32 van Pro de Wet weliswaar spreekt van 'aantonen', maar dat dit woord, nu de geschiedenis van deze bepaling niet in andere richting wijst, in die zin dient te worden verstaan dat voldoende is dat hetgeen de bepaling eist aannemelijk wordt gemaakt (vgl. HR 26 mei 1999, nr. 34230, BNB 1999/272).
Uit de gedingstukken blijkt dat belanghebbende aan het Hof met betrekking tot de vorenbedoelde transacties een aantal bescheiden heeft overgelegd. Zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, valt niet in te zien waarom belanghebbende met de overlegging van deze bescheiden niet aannemelijk heeft gemaakt dat die transacties in Duitsland werden uitgevoerd.
3.5. Gelet op het hiervoor in 3.2 en 3.4. overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De overige middelen behoeven geen behandeling.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 327, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2004.