Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het doorzenden van vragen van de verdediging aan een te horen getuige heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
“Preliminair verweer
tweede middelbevat de klacht dat het hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dan wel tot bewijsuitsluiting ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft verworpen.
“Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie / bewijsuitsluiting
NJ 2004, 376, rov. 3.6.5).
derde middelklaagt dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, nu het hof ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de bij de politie afgelegde verklaring van [medeverdachte 3]. Daartoe is door de steller van het middel, met een beroep op HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539, NJ 2013, 145, aangevoerd dat deze getuige blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gebruik heeft gemaakt van zijn verschoningsrecht als bedoeld in art. 219 Sv Pro [16] , zodat de verdediging zijn ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen en de betrokkenheid van de verdachte, met name ten aanzien van het regelen van [medeverdachte 3] als bemanningslid van het moederschip, niet in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen.