ECLI:NL:PHR:2014:311
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toewijzing schadevergoeding bij medeplegen witwassen ondanks overlijden benadeelde partij
De zaak betreft een arrest van de Hoge Raad waarin de toewijzing van een schadevergoedingsvordering door de benadeelde partij centraal staat. Verdachte was door het hof veroordeeld wegens medeplegen van witwassen en werd veroordeeld tot een werkstraf en een schadevergoedingsmaatregel van €27.371,24. De benadeelde partij, die zich in het strafproces had gevoegd, was overleden vóór de behandeling in hoger beroep, maar haar vordering werd gehandhaafd door een gemachtigde.
De eerste klacht van de verdachte betrof de ontvankelijkheid van de vordering na het overlijden van de benadeelde partij. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en oordeelt dat het overlijden geen reden is om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, mits de vordering wordt voortgezet door een gemachtigde.
De tweede klacht betrof de vraag of het bewezenverklaarde feit van medeplegen witwassen van €9.500,- de volledige schade van €27.371,24 rechtstreeks kon veroorzaken, aangezien de schade ook verband hield met een diefstal van €30.000,-. De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het witwassen en de diefstal in nauw verband staan en dat de verdachte verantwoordelijk is voor de volledige schade, mede omdat hij een katvanger gebruikte.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de wettelijke bepalingen omtrent de voeging van benadeelde partijen en de ontvankelijkheid van hun vorderingen, en benadrukt dat de omvang van de schade voor de ontvankelijkheid minder relevant is dan het bestaan van rechtstreeks geleden schade door het bewezenverklaarde feit. De procedurele voordelen van de voegingsprocedure en de maatschappelijke belangen bij een ruime interpretatie worden benadrukt.
Uiteindelijk wordt het cassatiemiddel verworpen en blijft de toewijzing van de schadevergoeding in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de toewijzing van een schadevergoeding van €27.371,24 aan de benadeelde partij ondanks haar overlijden.