Uitspraak
[X] Holdings B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van
Rechtbank Den Haagvan 16 mei 2013, nr. SGR 12/11543, betreffende een beschikking als bedoeld in artikel 20b, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
Hoge Raad
Belanghebbende verwierf in 2004 een belang van 4,7% in een aan de NASDAQ genoteerde vennootschap voor € 35.225.872. De waarde van dit belang bedroeg € 39.179.716 op 31 december 2006 en € 14.131.514 op 31 december 2009. In 2010 verkocht belanghebbende het belang in delen voor in totaal € 22.378.643.
De rechtbank oordeelde dat het resultaat van de verkoop onder de deelnemingsvrijstelling viel en dat de compartimenteringsleer toegepast moest worden, waarbij het resultaat werd berekend als het verschil tussen de verkoopprijs en de waarde per 31 december 2009. Ook verwierp de rechtbank het standpunt van belanghebbende dat compartimentering achterwege moest blijven omdat dit tot een onredelijk resultaat zou leiden.
In cassatie stelde de Hoge Raad vast dat de gewijzigde wetgeving per 1 januari 2007 zonder overgangsbepaling geldt en dat het overgangsrecht slechts betrekking heeft op 2007-2009. De Hoge Raad oordeelde dat het resultaat moet worden berekend als het verschil tussen de verkoopprijs en de kostprijs van het belang, omdat goed koopmansgebruik niet vereist dat de boekwaarde wordt aangepast als die aanpassing het resultaat niet beïnvloedt.
De Hoge Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank, verhoogde het vastgestelde verlies tot € 26.568.455 en veroordeelde de Staatssecretaris en de Inspecteur in de proceskosten.
Uitkomst: Het verlies bij verkoop van het belang wordt vastgesteld op € 26.568.455, gebaseerd op de kostprijs en niet op de waarde per 31 december 2009.