Conclusie
Het middel
Parket bij de Hoge Raad
Klager diende een klaagschrift in tegen de teruggave van een inbeslaggenomen scooter, die feitelijk onder zijn echtgenote was genomen. De Rechtbank Utrecht verklaarde het klaagschrift niet-ontvankelijk omdat de scooter reeds was teruggegeven aan de verzekeringsmaatschappij A.S.R., die als rechthebbende werd aangemerkt.
Klager stelde dat het klaagschrift mede moest worden opgevat als een beklag in de zin van art. 116 lid 3 Sv Pro, omdat de teruggave aan een ander dan de beslagene zonder kennisgeving had plaatsgevonden. De Hoge Raad overwoog dat het klaagschrift niet ontvankelijk was omdat klager niet de beslagene was, nu de scooter onder zijn echtgenote in beslag was genomen.
De Hoge Raad besprak uitgebreid de vraag wie als beslagene moet worden aangemerkt en concludeerde dat de feitelijke heerschappij over het voorwerp op het moment van inbeslagneming doorslaggevend is. De rechtbank had onvoldoende onderzocht of het klaagschrift het karakter had van een beklag ex art. 116 lid 3 Sv Pro. Het middel van klager slaagt daarom, maar de Hoge Raad ziet geen aanleiding om ambtshalve te vernietigen en verwijst de zaak terug.
Uitkomst: Het klaagschrift van klager werd terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat de scooter onder zijn echtgenote in beslag was genomen en de rechtbank onvoldoende onderzoek deed naar de aard van het beklag.